Jos Thommassen
De aandacht voor subjectieve beleving ontwikkelde zich verder tot een hoge mate van individualisering. De moderne burger ervaart zichzelf als een vrij individu dat zijn/haar eigen keuzes maakt. Men laat zich niet meer repressief sturen door een dictatoriale overheid, of een strenge geestelijk leider, maar wil een bepaalde mate van individuele vrijheid kunnen ervaren. Om tegemoet te komen aan deze individualiseringsdrang is het voor machthebbers zaak om deze macht minder direct op te leggen. De historisch zichtbare macht van regels en verboden heeft plaatsgemaakt voor een minder zichtbare macht, die werkt via cultuur, informatie, normen en perceptie. Zodra burgers zich buiten deze institutionele grenzen begeven – bijvoorbeeld tijdens demonstraties – kan de oorspronkelijke repressie in overmaat als een boemerang terugkeren. De vrijheidsstaat verandert dan in een politiestaat, waarbij vreedzaam demonstrerende burgers in elkaar worden geslagen door een gemaskerde politiemacht.
De moderne vrijheid die ervaren wordt, draagt een neoliberaal stempel. In essentie is neoliberalisme het idee dat individuele vrijheid, marktwerking en persoonlijke verantwoordelijkheid de beste basis vormen voor een goed functionerende samenleving. Vanaf de jaren tachtig werd dit uitgangspunt dominant in grote delen van het Westen. Overheden moesten kleiner worden, burgers zelfstandiger en markten vrijer. Opmerkelijk genoeg leidde deze belofte van vrijheid niet tot een kleinere overheid, maar juist tot een uitdijend ambtenarenapparaat. Naarmate burgers meer individuele vrijheid kregen, groeide namelijk ook de behoefte om die vrijheid te organiseren, te monitoren en te begeleiden. Daardoor nam het aantal regels, protocollen, registratiesystemen, toezichthouders, adviesorganen en controlemechanismen sterk toe. Deze ervaring van vrijheid en democratische zeggenschap vervult een stabiliserende functie, zodat de overheid en aanverwante instituties er belang bij hebben dat deze illusie in stand wordt gehouden. Het bevordert draagvlak binnen alle lagen van de samenleving. Deze macht werkt van binnenuit en vaak onopgemerkt. Het gaat om het bezetten van posities binnen structuren die algemeen bepalend zijn, zoals redacties, beleidsorganen, gemeenteraden, schoolbesturen, adviesraden en culturele kanalen. Dit heet de ‘mars door de instituties’, een halve eeuw geleden succesvol ingezet door de linkse politiek. Het is geen gesloten systeem van controle, maar eerder een bepaling van de bandbreedte van normaliteit. Binnen die bandbreedte blijft pluriformiteit mogelijk, terwijl de fundamentele parameters van het systeem zelden ter discussie staan. Burgers ervaren deze ruimte als vrijheid, omdat de variatie binnen het toegestane spectrum reëel is, terwijl de randen ervan grotendeels buiten beeld blijven, of slechts als extreem worden herkend. Op haar eigen wijze is ook Forum voor Democratie thans bezig met een soortgelijke mars, waardoor de uitgangspunten van de partij, zodra de verkiezingsuitslag dit vraagt, zacht kunnen landen in een bedding van algemeen begrip.
Een neoliberale overheid ondervindt minder weerstand wanneer de coherentie van de samenleving afbrokkelt tot een losse verzameling vertwijfelde en zoekende individuen. De meest eenvoudige manier om deze individuele wanorde te bewerkstelligen, verloopt via de weg van belastingen en accijnzen. Een overheid kan, mede door het creëren van crisissen, het leven zo duur maken dat overleven een allesoverheersende bezigheid wordt. Dit leidt tot afhankelijkheid van toelages en subsidies voor grote groepen, tot en met de middeninkomens toe. Het principe van de armoedeval is een van de meest valse en vernuftige wapens om macht en controle over grote groepen burgers te waarborgen.
Om bij het nemen van onbegrijpelijke en irrationele beslissingen de illusie van democratie en individuele vrijheid in stand te houden, kan de politiek zich legitimeren door zich te verschuilen achter rechterlijke uitspraken en adviezen van experts. Een nog grotere kracht ligt echter in de beïnvloeding van burgers via de media: radio, tv en kranten. Hierbij wordt de kaart van het morele besef getrokken en kunnen mensen tegen elkaar worden opgezet door een bepaalde groep als ondeugdelijk te profileren. Naarmate de samenleving minder wordt gedragen door informele sociale normen, groeit de behoefte om deze leegte institutioneel op te vullen met regels, protocollen en juridische waarborgen. De garantie voor psychologische en sociale veiligheid vergt een steeds groter en bemoeizuchtiger ambtelijk apparaat. Het beschermen van de burger lijkt een nobel streven, maar kan ook een alibi zijn voor verplichte en vrijheidsbelemmerende veiligheidsmaatregelen.
Op de arbeidsmarkt presenteerden neoliberale hervormingen vanaf de jaren tachtig zich als een bevrijding van starre bureaucratieën. Werk zou flexibeler, creatiever en autonomer worden. De controle veranderde echter slechts van karakter. De moderne werknemer krijgt vaak meer vrijheid qua werktijden en locatie, maar wordt tegelijkertijd permanent geëvalueerd via targets, feedbacksystemen, prestatie-indicatoren en digitale monitoring. Software registreert productiviteit, responstijden en online aanwezigheid. Het op deze wijze uitoefenen van macht door het indirect programmeren van burgers kent een sterk voorbeeld binnen de culturele sector.
Waar kunst eeuwenlang vooral werd beoordeeld op vakmanschap, schoonheid en haar vermogen iets van de werkelijkheid zichtbaar te maken, verschoof de aandacht in de twintigste eeuw steeds meer naar ervaring, interpretatie en persoonlijke betekenis. Deze verschuiving begon bij de Europese avant-garde. Modernistische kunstenaars als Malevich, Kandinsky en Mondriaan verlieten de zichtbare werkelijkheid en zochten naar abstracte vormen die niet langer verwezen naar herkenbare objecten, maar naar ideeën, gevoelens of geestelijke principes. Het was de CIA een doorn in het oog dat deze uitingen van vrijheid in eerste instantie vooral in Europa en de Sovjet-Unie plaatsvonden en nauwelijks in de VS. De CIA is actief betrokken geweest bij de internationale promotie van het Amerikaanse abstract expressionisme. Via culturele organisaties, tentoonstellingen en tijdschriften werden kunstenaars als Pollock, Rothko en De Kooning wereldwijd gepresenteerd als vertegenwoordigers van artistieke vrijheid.
Niet alleen in de kunst, maar ook in de samenleving als geheel verschuift de nadruk langzaam van gedeelde betekenis naar individuele interpretatie. Waar vroeger werd gezocht naar wat waar, goed of mooi was, lag vanaf de tweede helft van de vorige eeuw de nadruk meer op wat iemand persoonlijk ervaart. Subjectiviteit krijgt in dit postmoderne tijdperk een steeds centralere positie. Grote verhalen over waarheid, geschiedenis, vooruitgang of de menselijke natuur verliezen hun vanzelfsprekendheid. Kennis wordt afhankelijk van perspectief, context en interpretatie. Postmodernisme versterkt de door de macht gewenste individualisering van de burger en de fragmentatie van de samenleving. In zijn boek Iedereen een kunstenaar beschrijft Ruben Jacobs hoe het romantische ideaal van de kunstenaar zich geleidelijk over de hele samenleving heeft verspreid. Waar de kunstenaar vroeger een uitzonderingsfiguur was die zichzelf vormgaf en zijn innerlijke wereld zichtbaar maakte, wordt dat tegenwoordig van vrijwel iedereen verwacht. De moderne mens moet authentiek zijn, zichzelf ontwikkelen, zijn eigen identiteit samenstellen en zijn unieke persoonlijkheid zichtbaar maken. Het leven wordt een maakbaar esthetisch project, gestuurd door het geprogrammeerde ego. Volgens dit principe van maakbaarheid kun je zelfs van geslacht veranderen, op kosten van de samenleving.
Individualisering lijkt een ongekende vorm van vrijheid, maar de beelden, stijlen, voorkeuren en identiteiten waarmee burgers zich denken te kunnen onderscheiden, worden grotendeels aangeleverd door markt, media en culturele instituties. De keuze is persoonlijk, maar de mogelijkheden waaruit gekozen wordt, zijn collectief geproduceerd en geprogrammeerd. Authenticiteit wordt een sociale norm, anti-consumentisme wordt consumptie, rebellie wordt marketing en individualisme produceert kuddegedrag. Neoliberalisme en postmodernisme kruisen elkaar. Het postmodernisme ondermijnt vaste waarheden en gemeenschappelijke betekenissen. Het neoliberalisme maakt vervolgens van het individu de primaire eenheid van de samenleving. De burger wordt verantwoordelijk voor het eigen succes, de eigen identiteit, de eigen gezondheid en het eigen levensverhaal.
Het collectieve maakt plaats voor het persoonlijke. Deze ontwikkeling heeft geleid tot een samenleving waarin collectieve verbanden verzwakken en burgers steeds afhankelijker worden van externe systemen die betekenis en identiteit leveren. Een individu zonder sterke gemeenschap zoekt zijn/haar oriëntatie in media, consumptie, onderwijs, experts, technologie en cultuur. Voor moderne machtsstructuren heeft dat duidelijke voordelen. Invloedrijke instituties hebben belang bij een cultuur die voortdurend gericht is op persoonlijke identiteit, individuele beleving en symbolische en morele kwesties. Naarmate de samenleving subjectiever wordt, neemt de macht toe van degenen die betekenis, informatie en culturele richting produceren. Burgers kunnen uiteindelijk worden verleid hun eigen gevangenis te bouwen, waarin ze zich vrij en veilig kunnen voelen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via