Eric Lopes Cardozo
De redenen hiervoor zijn talrijk. Zo zijn de hoofdverantwoordelijken veelal niet meer in functie. De onderzoeksstaf, die het feitelijke commissiewerk verricht, is onderdeel van hetzelfde ambtenarenapparaat dat de maatregelen voorbereidde en uitvoerde, en onderzoekt dus in feite zichzelf. De Wet op de Parlementaire Enquête (WPE) garandeert bovendien dat onthullingen onder ede juridisch zonder gevolg blijven. Wie spreekt, riskeert dus niets. Dat is met reden, maar tegelijkertijd problematisch. Tot slot is er ook nog de beslissende handeling zelf, het uitroepen van de pandemie, die buiten elke nationale jurisdictie viel.
Dit laatste raakt de kern, omdat het onderzochte handelen zich grotendeels buiten Nederland afspeelde. Artikel 30 van de WPE regelt wat er met al het materiaal van de enquête mag gebeuren. Verklaringen, documenten, interne correspondentie: juridisch gezien hebben ze geen waarde. Wat een getuige onder ede verklaart, is niet bruikbaar als bewijs in een strafzaak, een civiele zaak of een tuchtzaak, tenzij dit bewijs al eerder, of langs andere weg, is verkregen. De wet werd in 2008 ingrijpend herzien, maar dit principe bleef daarbij overeind. De WPE is en blijft een politiek instrument en geen vervolgingsinstrument. Een minister die voor de commissie verklaart dat adviezen niet zijn gevolgd, geeft daarmee een politieke toelichting. De enquête produceert daarmee hooguit een catalogus van erkende tekortkomingen.
De memorie van toelichting bij de WPE is daar ondubbelzinnig over. Een enquête wijst geen schuldigen aan. Het hoogste doel is waarheidsvinding, gevolgd door lessen voor de toekomst. Verantwoordelijken worden gehoord, niet berecht. Ze zijn getuige, geen beklaagde. Dat is het verschil tussen geschiedschrijving en verantwoording afleggen. De enquête bedrijft, onder de noemer van het tweede, alleen geschiedschrijving. Met verantwoording afleggen heeft het weinig van doen.
Het ontwijken van verantwoordelijkheid was voorafgaand aan de enquête al een probleem. Tweede Kamerlid Pepijn van Houwelingen (FVD) vroeg herhaaldelijk bij het RIVM en het ministerie van Volksgezondheid brondata op over gevaccineerde en niet-gevaccineerde coronapatiënten in ziekenhuizen. Een deel van die cijfers kwam wel naar buiten via schriftelijke Kamervragen, de gevraagde brondata zelf niet. Zelfs het gewone informatierecht van een Kamerlid (art. 68 Grondwet) faalde dus al, los van enige enquête.
Wat bij Van Houwelingen vastliep op stilzwijgen, kwam bij het OMT (Outbreak Management Team) alleen naar buiten via onderzoeksjournalistiek. Nieuwsuur onthulde dit in februari 2022, op basis van interne e-mails.
OMT-adviezen door een ambtelijke staf werden aangepast vóór hun publicatie, zonder dat de betrokken OMT-leden daarover werden geraadpleegd. Het mondkapjesadvies voor de ouderenzorg werd afgezwakt met een tussenzin, omdat ambtenaren vreesden voor een run op beschermingsmiddelen. OMT-voorzitter Van Dissel nam de wijzigingen formeel over, zonder verzet. Niet de minister kreeg een gefilterd advies. Dat was bestemd voor het publiek en de Tweede Kamer. De aanpassing vond plaats voordat iemand buiten het ministerie de tekst te zien kreeg.
De onderzoeksstaf van de enquêtecommissie bestaat grotendeels uit ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het zijn niet dezelfde mensen die het coronabeleid uitvoerden. Maar ze zijn wel gevormd door dezelfde bestuurscultuur en werken binnen dezelfde institutionele logica. Of zij bereid zijn die logica te benoemen, laat staan ter discussie te stellen, is maar zeer de vraag.
Directeur-generaal van de WHO, Tedros Adhanom Ghebreyesus, nam het besluit om de pandemie uit te roepen zonder voorafgaande stemming, op aanbeveling van een noodcomité waarvan de namen niet meteen openbaar waren. Geen enkel nationaal parlement was geconsulteerd. Geen nationaal rechtssysteem kon er een oordeel over vellen. De Tweede Kamer debatteerde over de maatregelen die volgden, maar niet over het besluit zelf. Dat lag immers buiten haar bevoegdheid. De coronacommissie onderzoekt het Nederlandse beleid vanaf het moment dat de pandemie een gegeven was. Of dat gegeven zelf juridisch, epidemiologisch en procedureel houdbaar was, valt buiten de opdracht. Dat is geen lacune. Dat is de structurele grens van nationaal parlementair onderzoek in een wereld van supranationale besluitvorming.
Dat verantwoording desondanks mogelijk is, bewijst Japan. Europese systemen vergoeden individuele vaccinatieschade alleen als de patiënt causaliteit bewijst. Dat lukt zelden. Japan doet het anders. Via het ministerie van Volksgezondheid en Welzijn erkent de Japanse overheid inmiddels 8.432 gevallen van Covid-vaccinatieschade, waaronder 903 doden (peildatum november 2024). Het Japanse compensatiesysteem bestaat al sinds 1976, lang voor corona, en hanteert een verlaagde bewijsdrempel: aannemelijkheid volstaat, volledige medische causaliteit hoeft niet te worden bewezen.
Nederland kent een dergelijke compensatieregeling niet. Ook hier speelt ontwijking van verantwoording, zij het in een andere vorm: het simpelweg niet vaststellen van de vaccinatieschade. Erkenning, via een procedure tegen de producent, is haalbaar op basis van een uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit 2017 (Sanofi Pasteur), die toestaat dat een rechter causaliteit aanneemt op basis van sterke aanwijzingen. Nederlandse juristen erkennen dit arrest als een toepasselijk kader voor claims tegen vaccinproducenten. Een garantie is het echter niet. In een zaak die dit mogelijk maakte, wees een Franse rechter de vordering na terugverwijzing opnieuw af. In Nederland zijn vooralsnog ook geen succesvolle gevallen bekend.
Onder dit alles schuilt een structureel probleem. De instanties die de maatregelen oplegden, ‘wetenschappelijk’ rechtvaardigden, rechterlijk toetsten en nu onderzoeken, zijn onderdeel van hetzelfde systeem. Geen van hen staat erbuiten. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) adviseerde. Het ministerie van Volksgezondheid besliste. De rechterlijke macht oordeelde. Dit deed men in de coronazaken die voor de rechter kwamen vooral op procedurele gronden. In de avondklokzaak vond het gerechtshof te Den Haag zelf dat de vraag of coronamaatregelen proportioneel en subsidiair zijn “primair een politieke afweging” is, en dat de rechter zich daarom ‘terughoudend’ moet opstellen. Het hof stelde niet vast dat de avondklok aantoonbaar proportioneel was, maar dat proportionaliteit en subsidiariteit “niet uit het oog waren verloren”, en dat “de regering mocht uitgaan van het advies van het Outbreak Management Team”. Dat advies was zelf niet eenduidig. RIVM-modelleur Jacco Wallinga noemde de onderbouwing van juist de avondklok tegenover BNR Nieuwsradio een puzzel, gebaseerd op internationale studies, waarvan onduidelijk was of ze in Nederland ook opgingen. De rechter toetste dus niet of het advies inhoudelijk klopte, maar of de regering het mocht volgen. Een keten controleert zichzelf nooit beter dan haar zwakste schakel toestaat.
Een RIVM-rapport uit 2023 erkent dat de ‘besmettersgroep’ van 30 tot 49 jaar in januari 2022 in meerderheid volledig gevaccineerd was. Pas in juni 2026, na een Woo-procedure van twee jaar, gaf het ministerie de onderliggende werkversies van grafieken vrij. Daaruit blijkt dat in december 2021 de verspreiding vrijwel exclusief bij de ‘gevaccineerden’ lag. In die van februari 2022 verschoof dat naar de ‘geboosterden’. Het coronatoegangsbewijs werd ingezet op de aanname dat de vaccinaties de verspreiding afremde. Nu blijkt dat men al wist dat dit niet klopte. De ‘vaccins’ waren overigens nooit goedgekeurd op grond van transmissiereductie. De vergunning gold voor bescherming tegen ernstige ziekte, op basis van een trial met te weinig gevallen om dat statistisch hard te kunnen maken.
Nu onderzoekt een commissie van parlementariërs, ondersteund door ambtenaren, het geheel. Geen enkel onderdeel van die keten heeft belang bij een conclusie die de keten zelf ter discussie stelt. Verantwoording afleggen via een parlementaire enquête is daarmee niet alleen onwaarschijnlijk. Het is uitgesloten.
Wat overblijft, is de vraag welk instrument dan wél geschikt zou zijn. Een speciale aanklager, aangesteld buiten de reguliere ambtelijke structuur, met eigen bevoegdheid om grensoverschrijdend bewijs te verzamelen en getuigen te dagvaarden, is in elk geval iets wat een parlementaire enquête niet is. Zo’n aanklager zou verklaringen ook juridisch bruikbaar kunnen maken, iets wat de WPE nu juist uitsluit. Een internationaal tribunaal, opgericht door een coalitie van staten, om de WHO-besluitvorming aan onafhankelijke rechterlijke toetsing te onderwerpen, is niet door een nationaal parlement te bewerkstelligen. Beide opties zijn vooralsnog politiek onhaalbaar.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via