Eric Lopes Cardozo
In het geval van CO₂ wordt de atmosfeer, ofwel de vrij beschikbare lucht, aangemerkt als een verhandelbaar goed. Dit is een voorbeeld van een patroon dat al in 1944 werd beschreven door de econoom Karl Polanyi, waarbij hulpbronnen die niet voor de markt zijn gemaakt door een institutionele ingreep de markt in worden getrokken. Hij sprak destijds over ‘fictieve waren’. Als voorbeelden gaf hij land, arbeid en geld. Destijds leken dit de grenzen van het systeem, maar ze bleken alleen het beginpunt.
De richting is steeds van commons naar commodity; wat niemand toebehoort en door iedereen wordt gebruikt, krijgt een prijs en daarmee impliciet ook een eigenaar. Behalve lucht, moet hierbij ook worden gedacht aan water, toegang tot natuur, stilte en donkerte. De aangevoerde onderbouwing loopt uiteen van (gecreëerde) schaarste en opkomen voor belanghebbenden tot problemen met financiering. Qua belanghebbenden moet vooral worden gedacht aan het ecosysteem, de wolf, de vleermuis of de toekomstige generatie. Met betrekking tot financiën betreft het de overheid, die haar financieringsverantwoordelijkheid heeft teruggetrokken, waarna de markt de leegte heeft opgevuld.
Bewegen in de natuur volgt hetzelfde patroon, zij het via een ander mechanisme. Niet de prijs, maar de toegang is hier het instrument. Staatsbosbeheer beheert meer dan 250.000 hectare aan publiek bezit (bossen, duinen, heidevelden, plassen), gefinancierd door de belastingbetaler en in beginsel voor iedereen toegankelijk. In 2024 dreigde Staatsbosbeheer 1.400 hectare recreatiegebieden rond steden in Zuid-Holland te verkopen of te sluiten bij verdere bezuinigingen. De daarop volgende nieuwe subsidieregeling van de provincie gaf inzage in de onderliggende financieringslogica. Vanaf 2025 gelden bovendien nieuwe toegangsregels van Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer voor alle Nederlandse natuurgebieden. Afwijken van paden en bospaden is verboden. Een trouwfoto maken in het bos vereist nu een aanvraag en een betaling.
Stilte en donkerte voegen daar een extra dimensie aan toe. Staatsbosbeheer beheert gebieden waar stilte en duisternis als ecologische voorwaarden gelden, niet als luxeproduct, maar als vereiste voor de vleermuis, de nachtzwaluw en het ecosysteem dat eeuwenlang in rust en duisternis heeft gefunctioneerd. Die ecologische claim is legitiem. Het maakt dat de mens moet wijken omdat de natuur stilte eist, met als gevolg dat de beschikbare ruimte voor recreatie afneemt. Deze afname heeft een prijsstellend effect. Internationaal is er al een markt voor dark sky retreats, overnachtingen onder gecertificeerde donkere-hemelgebieden, geprijsd als premium-ervaring. Dit laat zien hoe ecologische vereisten en commerciële logica elkaar probleemloos vinden. Wat de vleermuis nodig heeft, wordt doorverkocht aan wie het kan betalen.
De terugkeer van de wolf in grote delen van Nederland laat eenzelfde effect zien. De EU-Habitatrichtlijn uit 1992 maakt wolven vrijwel onaantastbaar. Hun bescherming is geen nationale beleidskeuze, maar een juridische verplichting vanuit Brussel. De schapenhouder wiens kudde wordt aangevallen, mag niet ingrijpen en moet grotendeels zelf opdraaien voor de schade.
Polanyi voorspelde ook een tegenbeweging, waarbij de samenleving zich verdedigt via wetgeving, protest of collectieve bescherming. Die tegenbeweging is er ook, maar die kan ook contraproductief werken. De Nederlandse Drinkwaterwet verbiedt bijvoorbeeld privatisering en houdt aandelen uitsluitend in publieke handen. Dit klinkt als bescherming, maar de praktijk laat iets anders zien. De staat heeft als aandeelhouder jarenlang voor politiek gewin de tarieven laag gehouden en investeringen geblokkeerd via regulering die reservevorming onmogelijk maakte. De opgebouwde schuld wordt nu via een verhoging van de tarieven alsnog bij de burger neergelegd.
De wet beschermt steevast de vorm, maar niet de functie. Dat is de structuur achter de voorbeelden. Schaarste is deels het gevolg van bestuurlijke keuzes, die zijn gemaakt zonder de eindgebruiker daarin te kennen, terwijl de kosten van die keuzes terechtkomen bij dezelfde eindgebruiker, in de vorm van een prijskaartje, of een verbodsbord.
Het meest recente voorbeeld hiervan is het drinkwateradvies dat de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur op 30 april 2026 aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat aanbood. De kernboodschap haalde alle dagbladen: water is niet langer vanzelfsprekend, burgers moeten zuiniger met water omgaan en meer gaan betalen. De aanbeveling was concreet: variabiliseer het vastrecht en voer een hoog tarief in voor excessief gebruik. Het AD kopte over ‘dure zwembaden’. De onderliggende boodschap lag in de lijn van Polanyi: de commons wordt een product. Wat het rapport onbesproken liet, was de vraag hoe de schaarste was ontstaan.
De Nederlandse bodem bevat, in de woorden van Deltares, voldoende grondwater voor huishoudens en industrie, voor zeer lange termijn. Er valt jaarlijks circa 850 millimeter neerslag. Het land is gebouwd op water. De schaarste die het rapport beschrijft, is partieel en deels geconstrueerd: ze is mede een gevolg van een watersysteem dat is ingericht op zo snel mogelijk afvoeren richting zee, van agrarisch peilbeheer dat grondwaterstanden decennialang kunstmatig laag hield ten behoeve van de landbouw, en van een financieringsregime voor drinkwaterbedrijven dat reservevorming en langetermijninvesteringen structureel onmogelijk maakte. De aanbeveling die volgt biedt geen structurele oplossing, maar is een pleister op de wonde in de vorm van een prijsprikkel. Een echte oplossing raakt de gevestigde belangen. Een prijsverhoging raakt alleen de eindgebruiker.
Wat zelden wordt vermeld, is de bovenkant van de keten. ETS-2 vertaalt de klimaatverplichtingen van het Parijsakkoord in een verhandelbaar mechanisme. De EU-Kaderrichtlijn Water verplicht lidstaten via artikel 9 expliciet tot kostendekkende tarieven; dat is de juridische grond onder de drinkwatertarieven die nu stijgen. De Habitatrichtlijn legt de bescherming van de wolf vast als supranationale verplichting. Wat de burger ervaart als een lokale of nationale beslissing, is vrijwel altijd de eindbestemming van een cascaderende beleidsarchitectuur die begint in New York of Bazel en via Brussel uitkomt op de rekening van de eindgebruiker. De Sustainable Development Goals gelden thans als overkoepelend raamwerk, in dit geval vooral SDG 13 (Klimaatactie) en SDG 6 (Schoon water en sanitair). De SDG-terminologie (‘verduurzaming’, ‘eerlijk gebruik’, ‘de vervuiler betaalt’) functioneert daarin als semantische dekmantel, met als doel multilaterale afspraken nationaal verteerbaar te maken.
Minder zichtbaar, maar even bepalend, is SDG 17 (Partnerschap voor de doelen) dat de financieringslogica levert, met ‘vergroening’ van kapitaal via ESG-criteria en taxonomieverordeningen als praktische uitwerking; supranationale instellingen als de Wereldbank, de EIB en de BIS scheppen een infrastructuur die de markt ertoe aanzet klimaatrisico’s en CO₂-blootstelling in hun besluitvorming mee te wegen.
Het SDG-jargon verhult tevens een omkering van de constitutionele verhouding tussen overheid en burger. De overheid is er voor de burger, niet andersom. Haar zorgplicht voor drinkwater, lucht en toegankelijke natuur is geen gunst, maar een grondwettelijke taak waarvoor zij de middelen ontvangt en de benodigde bevoegdheden heeft gekregen. Wat de beweging van betaalbaarstelling doet, is die zorgplicht herformuleren als een verplichting van de burger jegens een abstract collectief goed, dat door de overheid wordt beheerd.
De drinkwatertarieven stijgen, omdat de overheid decennialang een financieringsregime heeft gehandhaafd dat investeringen blokkeerde. De vergunningskosten in de natuur stijgen, omdat de overheid haar bijdrage aan recreatieve voorzieningen heeft teruggetrokken. De emissierechten die particulieren betalen, compenseren in het beste geval de schade die industrieel beleid heeft geproduceerd en waarvoor de overheid nooit heeft afgerekend. In elk geval betaalt de burger de rekening voor een verzuim dat niet het zijne is. En dat is de kern van de beweging. Het is niet de markt die commons inpikt, maar de overheid die haar eigen taak afwentelt en de burger de verantwoordelijkheid in de schoenen schuift. Wat een prijs heeft gekregen, verliest echter ook de status van vanzelfsprekendheid. En wat zijn vanzelfsprekendheid verliest, verliest ook zijn karakter van ‘recht hebben op’. Wat ooit door de overheid als vanzelfsprekend werd geleverd, behoort dan alleen nog toe aan wie het kan betalen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via