Bertus Bolcnak
Het eerste dat in de discussie vaak ontbreekt is simpele rekenkunde. Wanneer een stad met honderdduizend inwoners vijfhonderd extra bewoners krijgt, is dat statistisch nauwelijks merkbaar – een half procent. Wanneer een dorp van achthonderd inwoners tweehonderd asielzoekers krijgt, is dat een kwart van de bestaande bevolking, in één keer, vaak binnen een paar maanden tijd.
Voor bewoners van zo’n dorp verandert het dagelijks leven dan zichtbaar en voelbaar. De supermarkt, de huisartsenpraktijk, het buslijntje, het enige café, allemaal voorzieningen die al op de grens van hun capaciteit draaiden, krijgen er in één klap een kwart extra gebruikers bij. Dat is geen kwestie van vooroordelen hebben, het is een capaciteitsprobleem dat in de stad domweg niet op dezelfde schaal voorkomt. Wie dit wegzet als: “ze zijn bang voor wat ze niet kennen”, doet net of de zorg over de huisartsenpost of de wachttijd bij de bakker een verzinsel is.
Het gaat niet om ‘vluchtelingen’ als categorie, het gaat om wie er daadwerkelijk komt.
Een tweede punt dat in de discussie vaak wordt platgeslagen, is dat ‘asielzoekers’ in de beeldvorming een homogene groep zijn, terwijl de samenstelling van wie er in een specifieke opvang terechtkomt sterk verschilt, wat er ook toe doet.
Een gezin uit Afghanistan of Syrië dat al jaren onderweg is, met kinderen die naar de basisschool gaan en ouders die snel Nederlands willen leren, brengt een heel andere dynamiek met zich mee dan een groep alleenstaande jonge mannen uit verschillende landen, die elkaar niet kennen, geen gezamenlijke taal spreken, weken in onzekerheid zitten over hun procedure, en in de tussentijd wel ergens hun avonden moeten doorbrengen. Dat tweede scenario is in kleine, overzichtelijke gemeenschappen waar iedereen elkaar kent, nu eenmaal sneller zichtbaar en voelbaar dan in een stad waar dezelfde groep in de massa verdwijnt.
Daarbij komt een cultureel element dat zelden hardop wordt benoemd zonder meteen als verdacht te worden weggezet. Een deel van de nieuwkomers komt uit landen waar de omgang tussen mannen en vrouwen, het gedrag in de openbare ruimte en de houding ten opzichte van bijvoorbeeld alcohol of vrijetijdskleding, fundamenteel anders zijn ingericht dan in een Nederlands dorp. Dat is geen waardeoordeel over wie ‘beter’ is, het is een constatering dat normen die in de ene context vanzelfsprekend zijn, in een andere context wrijving opleveren, simpelweg omdat ze botsen met wat de lokale bevolking als normaal beschouwt. In een grote stad met honderden subculturen naast elkaar valt dat soort wrijving veel minder op dan in een dorp waar de hoofdstraat en het dorpscafé letterlijk de hele sociale ruimte vormen.
Dat is een ander verhaal dan “moslims passen niet in Nederland”. Het is een verhaal over schaal, anonimiteit en de afwezigheid van een buffer tussen ‘nieuw’ en ‘vertrouwd’. Diezelfde spanning zou, in mindere mate, ook ontstaan als een dorp van achthonderd mensen er plotseling tweehonderd Nederlandse stadsjongeren met een uitgaansleven bij zou krijgen. Alleen is die vergelijking in de praktijk zelden aan de orde omdat dat scenario zich niet voordoet.
Waarom de woede zich niet primair tegen de bewoners van de opvang richt. Wie met mensen in dorpen praat die zich tegen een azc verzetten, hoort opvallend vaak iets anders dan pure afkeer van de nieuwkomers zelf. De woede richt zich vaak vooral op het politieke proces: een besluit dat van boven is opgelegd, een informatieavond die meer op verantwoording-afleggen-achteraf leek dan op een gesprek, een gemeenteraad die “geen keus had” vanwege de Spreidingswet, en een gevoel dat bezwaren bij voorbaat als bekrompen worden afgedaan.
Dat gevoel, gehoord worden zonder dat het iets uitmaakt, is precies het mechanisme dat in eerdere artikelen in dit blad al is besproken als bron van wantrouwen in de overheid. Asielopvang in kleine dorpen is daar een concreet, lokaal voelbaar voorbeeld van. Bewoners ervaren dat hun leefomgeving ingrijpend verandert door een besluit waarop zij geen enkele invloed hebben gehad, genomen door bestuurders die er zelf niet wonen.
Niets van het bovenstaande is een vrijbrief voor intimidatie, brandstichting of geweld tegen wie dan ook – niet tegen asielzoekers, niet tegen ambtenaren, niet tegen journalisten. Wie zich daaraan bezondigt, doet de zaak van de bezorgde dorpsbewoner alleen maar schade. Elke rel wordt achteraf gebruikt om alle kritiek als ‘extremisme’ te framen, en dat is precies het verwijt dat veel bewoners zelf ook hebben, dat hun verhaal wordt overschreeuwd door een kleine groep en dat de rest van de discussie daardoor verdwijnt.
Het is dan ook in niemands belang, niet van de dorpsbewoners, niet van de asielzoekers zelf, en niet van het draagvlak voor opvang in het algemeen, als de discussie blijft hangen in een tegenstelling tussen ‘racistisch dorp’ en ‘naïeve overheid’. De realiteit is genuanceerder: een schaalprobleem dat in steden niet bestaat, een samenstelling van groepen die in kleine gemeenschappen anders uitpakt dan in grote, en een besluitvormingsproces dat mensen het gevoel geeft dat hun stem niet meetelt. Zolang die drie factoren niet serieus worden meegenomen, en in plaats daarvan worden weggezet als “angst voor het onbekende”, zal de volgende aankondiging van een nieuwe opvanglocatie weer hetzelfde patroon opleveren. Eerst verontwaardiging, dan een informatieavond die niets verandert, en uiteindelijk een handvol mensen die, gevoed door die opgekropte frustratie, een grens overschrijden, waarna alleen díe beelden overblijven, en het eigenlijke verhaal van het dorp opnieuw niet wordt gehoord.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via