Robert-Jan Bijlmakers
De uitstoot van broeikasgassen moet met meer dan de helft omlaag, en minimaal de helft van alle energie in Nederland en de EU moet afkomstig zijn uit hernieuwbare bronnen. De politiek wil zich houden aan de utopische ideeën uit Agenda 2030, gebaseerd op de propagandistische aanname dat CO₂ een allesvernietigend broeikasgas is dat koste wat het kost bestreden moet worden. De mondiale basis voor dit alles is het Parijs-akkoord van 2015, dat juridisch is vastgelegd in de Nederlandse Klimaatwet van 2026. In de praktijk zorgt deze transitie echter niet voor iets dat het klimaat ten goede komt, maar voor veel meer regels en hogere kosten voor ons allemaal.
De Europese klimaatwet, ondersteund door het Fit for 55-pakket, omvat bindende doelstellingen voor hernieuwbare energie, energiebesparing en de verduurzaming van gebouwen. Deze algemene doelstellingen moeten in 2030 zijn bereikt. Tot dan moet de uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 met 55% omlaag. Bovendien is er voor 2040 een tussentijds doel van 90% reductie vastgesteld. Ook moet minimaal 42,5% van alle energie afkomstig zijn uit hernieuwbare bronnen, zoals wind, zon en biomassa.
In dit kader zijn de volgende drie richtlijnen voor Nederland van belang. Ten eerste, de Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED) die EU-lidstaten verplicht om vergunnings-procedures voor wind- en zonneparken aanzienlijk te versnellen en specifieke doelen stelt voor hernieuwbare energie in sectoren als transport en gebouwen. De tweede richtlijn is de Energie-Efficiëntierichtlijn (EED) die zich op energiebesparing richt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat het energieverbruik in 2030 gezamenlijk met 11,7% is verminderd. Tot slot is er de Richtlijn Energieprestatie van Gebouwen (EPBD) die de verduurzaming van de bebouwde omgeving regelt, en voorschrijft dat alle nieuwe gebouwen vanaf 2050 emissievrij moeten zijn. Ook worden verouderde utiliteitsgebouwen verplicht om stapsgewijs te verduurzamen en komen er striktere regels voor energielabels.
Daarnaast komt er vanaf 2028 een tweede emissiehandelssysteem (EU ETS-2) voor wegverkeer en gebouwen. Dit is een uitbreiding van het reeds bestaande emissiehandelssysteem (EU ETS) dat zware industrie en energiecentrales verplicht om voor hun CO₂-uitstoot te betalen. Het totale toegestane plafond aan uitstoot wordt jaarlijks verlaagd, wat bedrijven dwingt over te stappen op schone energie. De invoering van EU ETS-2 heeft eenduidig een prijsopdrijvende uitwerking en gaat ervoor zorgen dat leveranciers van brandstoffen voor verwarming en wegvervoer vanaf 2028 gaan betalen voor hun CO₂-uitstoot. Het resultaat van al deze maatregelen, richtlijnen en sancties is dat de gemiddelde stroomrekening in de toekomst duidelijk hoger zal uitvallen.
En of dat alles nog niet genoeg is, wordt er nu al hard gewerkt aan de omzetting van het plan REPowerEU. Dit plan is naar aanleiding van de energiecrisis (…) versneld ingevoerd en is erop gericht om de afhankelijkheid van geïmporteerde uit de aarde gehaalde brandstoffen, zoals Russisch gas, te beëindigen door nog sneller in te zetten op hernieuwbare energie. Dit voert nu al tot duurdere gas- en stroomimporten en dus tot hogere energieprijzen.
Op nationaal niveau komen daar nog eens twee wetten bovenop. De Omgevingswet regelt de fysieke leefomgeving en is cruciaal voor de vergunningverlening en ruimtelijke inpassing van grote energieprojecten, zoals windmolenparken op land, zonnepanelen en nieuwe warmte-infrastructuur. En de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om in wijkgerichte warmteprogramma’s vast te leggen wanneer en hoe wijken van het aardgas af gaan en op duurzame alternatieven moeten overstappen.
De nieuwe Energiewet is ontworpen om de markt transparanter te maken, consumenten beter te beschermen en flexibel energieverbruik te stimuleren, aldus onze overheid. In werkelijkheid pakt dat net even anders uit. Daadwerkelijk worden we nu al geconfronteerd met hogere netbeheerkosten. Door de enorme investeringen in het stroomnet stijgen de transportkosten op onze energierekening. Om de overstap naar elektriciteit te stimuleren vindt er tevens een verschuiving van energiebelasting plaats. De energiebelasting op stroom daalt (naar ca. € 0,11 per kWh), terwijl de belasting op gas juist stijgt (naar ca. € 0,73 per m³).
In de praktijk zien we dat door het verplicht afschalen van gasgebruik, denk aan de verplichte warmtepomp bij nieuwbouw, het stimuleren en subsidiëren van de aanschaf van zonnepanelen en de tot januari 2025 geldende SEPP-regeling (Subsidieregeling Elektrische Personenauto’s Particulieren), het aanbod van door de zon opgewekte energie explodeert. Een vervijfvoudiging ten opzichte van 2018, terwijl het totale elektriciteitsverbruik niet is gestegen.
Sterker nog, kijken we naar het verbruik van alle Nederlandse huishoudens, dan zien we een duidelijke afname van elektriciteitsverbruik.
Het stroomnet is dus niet “overbelast”, zoals ons keer op keer in de reguliere media voorgehouden wordt. Wel is het zo dat door de toenemende onzekerheid van het aanbod van stroom de beschikbaarheid volatieler wordt. Het verplichtend omzetten van de energietransitie en dus het overstappen van gas naar wind- en zonne-energie zorgt voor een sterke toename van het aanbod van stroom in de zogenaamde piekuren. Het is juist tijdens deze uren, wanneer bijvoorbeeld de zon volop schijnt, dat het aanbod van stroom vaak vele malen groter is dan de vraag. Tegenovergesteld geldt dat wanneer er geen wind waait en geen zon schijnt, er geen, of zeer weinig, aanbod is van stroom. Al met al wordt de levering daardoor onzekerder en kunnen toekomstige black-outs niet meer worden uitgesloten.
Een duidelijk voorbeeld van overcapaciteit tijdens piekuren was de black-out in Spanje in april 2025. Rond het middaguur was er een grootschalige stroomstoring op het vasteland van Spanje en Portugal. Ongeveer 60 miljoen mensen waren getroffen en zaten urenlang zonder stroom. Door het gigantische aanbod van door wind en zon opgewekte stroom ontstonden er problemen met de spanningscontrole (50 Hz) en moest het Spaanse elektriciteitsnetwerk losgekoppeld worden van het Europese net. Dit Europese stroomnet is door middel van ‘interconnectors’ met elkaar verbonden en dientengevolge ondervonden ook Frankrijk en zelfs delen van Zuid-West-Duitsland problemen. Ten slotte zorgde deze black-out voor korte tijd in heel Europa voor problemen.
Door dit volatiele aanbod zal ook de stroomprijs steeds volatieler worden. Met name bij de zogenaamde dynamische contracten waarbij de stroomprijs op uurbasis vastgesteld wordt. In de tijd van uitsluitend gasgestookte elektriciteitscentrales was men verzekerd van een stabiel stroomnet en een daarbij behorende stabiele stroomprijs. Dat is nu verleden tijd.
Ondanks het krachtige promoten en stimuleren van, en volop inzetten op de energietransitie bestaat de elektriciteitsmix in Nederland – volgens het Nationaal Energie Dashboard – nog steeds voor 51% uit aardgas en voor 49% uit hernieuwbare bronnen als wind, zon en biomassa. Doordat de daadwerkelijke gaswinning in het Groningen-gasveld sinds april 2024 definitief is gestopt en nog maar een zeer klein aantal putten gas pompt, wordt er tegenwoordig onder andere duur lng (vloeibaar gas) uit Amerika geïmporteerd, of door middel van de bovengenoemde interconnectoren stroom uit kolencentrales bijgekocht uit Duitsland of van kernenergie uit Frankrijk. In september 2022 werd de Nord Stream 2-pijpleiding opgeblazen. Die voorzag Duitsland en andere delen van Europa van goedkoop Russisch gas, waardoor de productie van stroom stabiel en goedkoop was. Daarnaast zijn de laatste drie kerncentrales in Duitsland in april 2023 stilgelegd. Hiermee kwam er een definitief einde aan het gebruik van kernenergie voor stroomopwekking in Duitsland. Als gevolg van dit alles hebben we te maken met stijgende energieprijzen. Goedkope atoomstroom (kernenergie) wordt in Nederland momenteel alleen nog op zeer kleine schaal opgewekt in de kerncentrale Borssele.
Het moge duidelijk zijn dat de door de overheid gestelde energietransitiedoelen niet gehaald kunnen worden. In de Groningse bodem zit nog ongeveer 475 tot 500 miljard kubieke meter gas opgeslagen, een hoeveelheid die de komende vijftien tot achttien jaar de binnenlandse vraag volledig zou kunnen dekken. De overheid besliste echter anders en koos ervoor de gasputten dicht te storten.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via