Tjeu Lemmens
De huidige ijzersterke concurrentiepositie van China wordt vooral geanalyseerd en becommentarieerd door westerse economen. Kijkend door hun economische bril zien zij vooral twee hoofdoorzaken voor het industriële verval van Europa. Ten eerste noemen zij de ‘oneerlijke concurrentie’, veroorzaakt door grootschalige staatssubsidies aan Chinese bedrijven. Daarnaast zijn Chinese goederen goedkoop door de kunstmatig laag gehouden wisselkoers van de renminbi, de Chinese munt – ook bekend als yuan –, aldus de economen.
Een veel fundamentelere oorzaak zien economen over het hoofd. Europa heeft indirect duchtig bijgedragen aan het uitgroeien van China – formeel nog een ontwikkelingsland – tot een economische grootmacht. Die fundamentele bijdrage bestaat nog steeds en groeit zelfs nog voortdurend door kennistransfer van Europese kennisinstituten naar briljante Chinese twintigers en dertigers, zowel mannen als vrouwen, die tijdelijk naar Europa komen om wetenschappelijk onderwijs (WO) te volgen aan universiteiten, waarna zij met een MSc-diploma (Master of Science) op zak, en soms zelfs met een doctorsbul, terugkeren naar hun vaderland. Daar benutten zij de in Europa verworven kennis voor het ontwikkelen van hoogwaardige technologische producten, alsmede voor het bouwen van de transportinfrastructuur.
Net zoals de door China geproduceerde goederen, overspoelen Chinese studenten Europa. Hoe massaal deze instroom is, valt af te leiden uit het rapport Economische effecten van inkomende internationale studenten van het Centraal Planbureau (CPB), dat in augustus jl. is verschenen. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van Rianne Letschert, D66-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Zij was nieuwsgierig naar de financiële effecten voor de rijksoverheid van de instroom van buitenlandse studenten. De CPB-onderzoekers concluderen dat het kosten/batensaldo positief is; internationale studenten zorgen voor meer opbrengsten dan kosten voor de Nederlandse rijksoverheid. Wat buiten de opdracht van de minister viel, was om te onderzoeken wat de indirecte kosten zijn van buitenlandse studenten voor de internationale concurrentiepositie van Nederland, en die zijn niet mis.
De CPB-onderzoekers verdelen buitenlandse studenten op basis van hun land van herkomst in twee groepen. De eerste groep is afkomstig uit de Europese Economische Ruimte (EER), bestaande uit de Europese landen. De tweede groep bestaat uit de overige landen van de wereld. In 2024 stroomden 26.000 EER-studenten en bijna 10.000 niet-EER-studenten het Nederlandse WO (Wetenschappelijk Onderwijs) binnen. In de Top-tien van landen die de meeste studenten leveren aan WO-masteropleidingen, staan twee niet-EER-landen: China en India. China staat met 3621 instromende studenten in 2024 – dat aantal is ruim een derde van de in Nederland studerende niet-EER-studenten – op een tweede plaats, na Duitsland. In 2017 was de Chinese instroom nog beduidend minder, namelijk 2338. India staat met 2503 studenten op de vierde plaats in deze Top-tien. China en India zijn BRICS-landen, die samenwerken op terreinen als technologische ontwikkelingen, voedselproductie en energievoorziening.
De voorkeur van Chinese studenten gaat vooral uit naar bètawetenschappen, waarin statistiek, wis- en natuurkunde, en ICT essentiële studiecomponenten vormen. In de Top-drie van preferente studierichtingen staan techniek, landbouw en economie, aldus het CPB-rapport. Hierbij moet bedacht worden dat tot het vakgebied Economie studies behoren die zijn gericht op beleid en managen van financiële instellingen, waaronder banken en grote bedrijven. De kennisbasis die China hiermee heeft opgebouwd, en verder uitbreidt, is fundamenteel voor het realiseren van een concurrerende hoogtechnologische industrie.
Vrijwel alle gerenommeerde universiteiten in de EU-lidstaten kennen het fenomeen van de grote toestroom van Chinese studenten. Hoewel het CPB-rapport betrekking heeft op Nederland, kunnen uit de gepresenteerde cijfers redelijke afschattingen gemaakt worden van het aantal Chinezen aan wie Europese WO-diploma’s zijn uitgereikt. Deze gefundeerde inschatting is een voortzetting van de werkwijze van de CPB-onderzoekers, die aangeven dat hun eigen berekeningen deels zijn gebaseerd op modelaannames.
Uitgaande van het redelijk vaststaande cijfer dat vanaf de millenniumwisseling Nederlandse universiteiten aan ca. 40.000 Chinese studenten een WO-diploma (MSc) hebben uitgereikt, is een adequate afschatting voor heel Europa te maken. Uit die afschatting blijkt dat de afgelopen kwart eeuw aan Europese universiteiten ongeveer een half miljoen Chinese studenten de MSc-titel hebben behaald. Daarnaast heeft een klein deel van deze hoogopgeleiden een promotieonderzoek van vier jaar afgerond.
Dit langjarige wetenschappelijk onderzoek leidt tot de academische titel van doctor (Dr.). Het gaat om meerdere duizenden Chinezen. Om hun kennis verder te verdiepen alvorens huiswaarts te keren, werken sommige gepromoveerde Chinezen enkele jaren als postdoc aan internationaal gerenommeerde kennisinstituten. China stimuleert het studeren van zijn briljante jongeren in heel het Westen. Ook de VS, Canada en Australië kennen al lange tijd een hoge instroom. Mogelijk zijn daar in de afgelopen 25 jaar evenveel Chinezen als in Europa wetenschappelijk opgeleid. Daarnaast lokt China excellerende westerse wetenschappers naar de eigen universiteiten met hoge salarissen en riante secondaire arbeidsvoorwaarden, waaronder gratis wonen. Voor sommigen is dat een wenkend perspectief, vooral wanneer zij met een aan hun universiteit studerende of werkende Chinese collega zijn getrouwd.
Met deze aan en door westerse universiteiten opgebouwde kennisbasis als grondslag, heeft China in een razendsnel tempo een hoogwaardige technologische industrie uit de grond gestampt, een moderne transportinfrastructuur weten te realiseren en zich weten te positioneren aan de top op de wereldkaart van economische grootmachten.
Hoewel universiteiten met het jaarlijks toenemende aantal Chinese studenten Europa grote economische schade toebrengen en de uittocht van Europese industrieën bevorderen, is de instroom van Chinese studenten niet tegen te houden, als gevolg van het gevoerde overheidsbeleid. Net zoals de toestroom van asielzoekers niet te stoppen is door inadequaat overheidsbeleid, is dat ook het geval met internationale studenten. De voornaamste oorzaak is het financieringsmodel voor de instellingen van hoger onderwijs. Hierin leggen de geldstromen van de rijksoverheid het fundament onder het voortbestaan van studierichtingen aan universiteiten en hogescholen. Die geldstromen zijn vooral afhankelijk van het aantal studenten en het aantal diploma’s dat de instelling uitreikt. Dat is de kat op het spek binden.
Daarbij komt ook nog dat studenten uit China en andere niet-EER-landen lucratieve inkomstenbronnen vormen. Niet-EER-studenten betalen per student jaarlijks ruim € 20.000 aan collegegeld, terwijl Nederlandse en EER-studenten slechts een fractie hiervan neertellen, namelijk thans € 2.694. Andere Europese landen hebben vergelijkbare financieringsmodellen. Daarnaast maken Europese universiteiten afspraken met China om gezamenlijk studieprogramma’s te verzorgen die additionele inkomstenbronnen vormen. Met gerichte marketingcampagnes worden zoveel mogelijk niet-EER-studenten gelokt. Dat komt feitelijk neer op een permanente uitverkoop van hoogwaardige kennis en het continu versterken van de concurrentiepositie van vooral China.
De conclusie van het CPB-rapport is dat buitenlandse studenten Nederland rijker maken en dat zij een stimulans vormen voor onze economie. “De positieve bijdrage aan de schatkist is het hoogst bij niet-EER-studenten in het WO.” En een derde deel van deze studenten komt dus uit China. Daarmee legt het CPB-rapport de minister van OCW troeven in handen om de internationalisering van het hoger onderwijs te blijven bevorderen. De reguliere media nemen het argument dat buitenlandse studenten Nederland geld opleveren kritiekloos over, terwijl de fundamentele keerzijden, zoals die in dit artikel zijn geschetst, onbenoemd blijven.
Na de Tweede Wereldoorlog herstelde de economie van West-Duitsland zich frappant snel – het zogenaamde Wirtschaftswunder – en wist het land wereldwijd een industriële koploperspositie te veroveren. Thans is het economisch wonder van Duitsland vervlogen en opzienbarend snel verschoven naar China, waar de bevolking in de jaren negentig nog in extreem armoedige omstandigheden leefde, vooral op het platteland. China heeft binnen het tijdsbestek van een kwart eeuw een industrieel complex weten te ontwikkelen waarin het in staat is om massaal hoogtechnologische producten te vervaardigen en op de wereldmarkt te verhandelen. Mede door kortzichtig en onbezonnen Europese kennistransfer op gigantische schaal heeft China in een relatief kort tijdsbestek dat Wirtschaftswunder weten te verwezenlijken.
Sinds begin dit jaar beschuldigt Brussel China openlijk van concurrentievervalsing en andere oneerlijke handelspraktijken als gevolg van staatsinterventie. Wegens de ‘existentiële’ dreiging van China, pleiten steeds meer EU-landen voor bescherming van de eigen industrie door het invoeren van tariefmuren, invoerquota en andere importbeperkende maatregelen. Daarbij wordt vergeten de hand in eigen boezem te steken en beperkingen op te leggen aan de kennistransfer naar China.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via