Jeroen van den Berg
Deze historisch gezien nooit eerder vertoonde ontwikkeling kan voor een belangrijk deel worden begrepen vanuit economische principes, die opvallende overeenkomsten vertonen met het Hamiltoniaanse systeem waarmee de Verenigde Staten zelf ooit hun industriële macht opbouwden (zie Gezond Verstand #144). Alexander Hamilton beschouwde economische ontwikkeling als een nationaal programma waarin de overheid voorwaarden moest scheppen voor een krachtige productieve economie, en niet als iets dat vanzelf uit vrije handel en de markt zou ontstaan. China heeft elementen hieruit op grote schaal toegepast. Allereerst werd de ontwikkeling van de eigen maakindustrie doelbewust gestimuleerd en werden strategische sectoren niet overgelaten aan buitenlandse concurrentie. Daarnaast bleef het financiële systeem sterk onder invloed van de staat, waardoor krediet kon worden ingezet voor fabrieken, energievoorziening, woningbouw, onderzoek en grootschalige infrastructuur.
China legt een uitzonderlijke nadruk op de fysieke infrastructuur als productiefactor. Het land bouwde havens, snelwegen, elektriciteitsnetwerken en hogesnelheidslijnen, waardoor productiecentra, steden en exportmarkten steeds efficiënter met elkaar werden verbonden. Het opgebouwde nationale kapitaal werd tegelijkertijd opnieuw geïnvesteerd in basisonderwijs, technische universiteiten, onderzoek, ontwikkeling, gezondheidszorg en innovatie. Daarmee ontstond een zichzelf versterkende cyclus: industriële productie genereert inkomen en kennis, de opbrengsten worden geïnvesteerd in infrastructuur en menselijk kapitaal, die investeringen verlagen vervolgens de kosten en verhogen de productiviteit van de economie, waarna opnieuw meer middelen beschikbaar komen voor verdere ontwikkeling. Ook de opeenvolgende vijfjarenplannen passen binnen deze logica van doelgerichte nationale ontwikkeling. De staat bepaalt strategische richtingen op lange termijn en probeert publieke financiering, particuliere ondernemingen, onderzoek en industrie rond die doelstellingen te mobiliseren. De resultaten zijn zichtbaar in sectoren als scheepsbouw, elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen, telecommunicatie, drones, robotica en kunstmatige intelligentie. Hierin zit het fundamentele verschil met het Britse (globalistische) vrijhandelsmodel: terwijl financieel gedreven kapitaal steeds sterker richting vastgoed, financiële activa en maximaal aandeelhoudersrendement wordt geduwd, behandelt het Hamiltoniaanse model juist krediet, infrastructuur en industrie als instrumenten voor de verhoging van de productieve capaciteit van de gehele samenleving.
Een van de meest zichtbare voorbeelden van de Chinese technologische en industriële ontwikkeling is het spoorwegsysteem. China begon pas rond 2008 op grote schaal met de aanleg van een hogesnelheidsspoor, en beschikte eind 2025 al over ruim 50.000 kilometer hogesnelheidslijn, meer dan de rest van de wereld bij elkaar. Achter deze indrukwekkende omvang gaat een veel bredere technologische infrastructuur schuil. China heeft een complete eigen keten opgebouwd voor hogesnelheidstreinen, spoorconstructies, tunnels, bruggen, enorme stations, elektrische aandrijving, digitale verkeersleiding en geavanceerde beveiligingssystemen. Het spoor is daarmee als eerste een vervoersproject, maar bovendien een permanente aanjager van de staalindustrie, machinebouw, elektrotechniek, bouwsector en digitale technologie. De schaal waarop het netwerk wordt aangelegd zorgt voor standaardisering, technische ervaring en massaproductie, waardoor nieuwe projecten steeds efficiënter kunnen worden uitgevoerd. De economische betekenis reikt veel verder dan het vervoer van reizigers. China beschikt inmiddels over 165.000 kilometer spoor en vervoerde in 2025 meer dan vijf miljard ton goederen per trein. Industriële centra worden daarmee verbonden met havens, logistieke knooppunten en internationale handelsroutes.
Via de China-Europe Railway Express reden in 2025 ruim 20.000 goederentreinen tussen China en Europa, waarbij sommige verbindingen naar West-Europa in ongeveer elf dagen kunnen worden afgelegd. Het spoor verkleint zo economische afstanden, vergroot de arbeidsmobiliteit, ontsluit regio’s en verlaagt de logistieke kosten tussen fabrieken en afzetmarkten. Daarmee vormt het een treffend voorbeeld van het Hamiltoniaanse uitgangspunt. Een spoorlijn creëert indirect economische waarde, doordat zij de productiviteit van andere bedrijven en gebieden verhoogt. Het spoorwegsysteem is daardoor een vervoersnetwerk, technologisch ontwikkelingsprogramma, afzetmarkt voor de eigen industrie en logistieke ruggengraat van de economie. Juist daarin wordt de kracht van het Chinese ontwikkelingsmodel zichtbaar: kapitaal en technische kennis worden omgezet in een fysieke infrastructuur, die vervolgens weer de basis vormt voor verdere industriële en technologische ontwikkeling.
Huawei vormt een uitstekend voorbeeld van de manier waarop China haar technologische achterstand heeft weten om te zetten in steeds grotere zelfstandigheid. Het bedrijf begon in 1987 als leverancier van telecomapparatuur en groeide door langdurige investeringen in kennis en onderzoek uit tot een mondiale speler in 5G, smartphones, cloudtechnologie en inmiddels ook kunstmatige intelligentie en halfgeleiders. Kenmerkend voor deze ontwikkeling is dat een uitzonderlijk groot deel van de opbrengsten voortdurend wordt geïnvesteerd in nieuwe technologie. In 2025 investeerde Huawei 192 miljard yuan (€ 25 miljard) in onderzoek en ontwikkeling, bijna 22% van de omzet, terwijl meer dan de helft van de 213.000 medewerkers in R&D (Research & Development) werkzaam was. Over de afgelopen tien jaar bedroegen de investeringen in onderzoek zelfs 1.380 miljard yuan (€ 180 miljard). De westerse sancties vanaf 2019, die Huawei moesten beperken in de toegang tot Amerikaanse chips, software en technologie, dwongen het bedrijf vervolgens om deze R&D-strategie te versnellen. Huawei ontwikkelde met HarmonyOS een eigen besturingssysteem en bouwde rond zijn processors een eigen platform voor kunstmatige intelligentie. De exportbeperkingen op geavanceerde Nvidia-chips hebben de binnenlandse vraag naar Huawei’s AI-systemen vergroot; in 2026 was die vraag zelfs groter dan het bedrijf aankon.
Het interessante aan Huawei is het onderliggende ontwikkelingsmodel. Inkomsten uit bestaande productie worden op grote schaal geïnvesteerd in onderzoek, ingenieurs en nieuwe productietechnologie, waarna de opgebouwde kennis wordt gebruikt om steeds meer onderdelen van de technologische keten zelf te beheersen. Dat heeft inmiddels een onderneming opgeleverd met 165.000 actieve verleende patenten, activiteiten in meer dan 170 landen en een jaaromzet van bijna 881 miljard yuan (€ 115 miljard). De poging om China’s technologische ontwikkeling via sancties af te remmen heeft bij Huawei een belangrijk effect gehad: de economische noodzaak om eigen alternatieven te ontwikkelen is enorm vergroot.
De opmars van China beperkt zich niet tot enkele succesvolle sectoren, maar heeft het karakter van een breed technologisch ecosysteem waarin industrie, robotisering, kunstmatige intelligentie, energie en transport elkaar versterken. Dat is zichtbaar in de elektrische auto, waar Chinese fabrikanten concurreren met het eindproduct, maar ook kunnen terugvallen op een omvangrijke binnenlandse keten van batterijtechnologie, elektronica, software, sensoren, laadtechnologie en geautomatiseerde productie. Dezelfde ontwikkeling vindt plaats in de robotica. Industriële robots worden steeds verder geïntegreerd in Chinese fabrieken, terwijl tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in geavanceerde robotica, autonome systemen, drones en samenwerkende robots. Kunstmatige intelligentie vormt daarbij steeds vaker de verbindende technologie: AI wordt niet alleen ontwikkeld als zelfstandig softwareproduct, maar geïntegreerd in fabrieken, logistiek, voertuigen, robots, energiesystemen en andere fysieke toepassingen. Dat deze ontwikkeling breder is dan een verzameling aansprekende commerciële producten, blijkt uit de Critical Technology Tracker van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI). Deze gezaghebbende instantie vergelijkt landen op basis van de meest invloedrijke wetenschappelijke ontwikkelingen in strategisch belangrijke technologieën. In de meest recente rapportage over 2021–2025 staat China inmiddels op de eerste plaats in 69 van de 74 onderzochte kritieke technologieën.
Op het gebied van gezondheid en biotechnologie ontwikkelt China zich in hoog tempo van producent naar innovator. Het land heeft sterk geïnvesteerd in biomedisch onderzoek, genetica, medische technologie en de ontwikkeling en productie van geneesmiddelen. Vooral de groei van klinisch onderzoek is opvallend: China’s aandeel in wereldwijd commercieel gesponsorde klinische trials steeg van ongeveer 9% in 2018 naar 18% in 2023, terwijl het Europese aandeel in dezelfde periode juist sterk terugliep. Chinese biotechbedrijven ontwikkelen bovendien steeds vaker innovatieve geneesmiddelen die door Amerikaanse en Europese farmaceutische ondernemingen in licentie worden genomen.
Een hardnekkig onderdeel van de westerse beeldvorming over China is het idee dat iedere Chinese burger door de overheid permanent wordt gevolgd en op basis van zijn/haar gedrag een centrale ‘social credit score’ krijgt, die vervolgens bepaalt of hij/zij bijvoorbeeld mag reizen, studeren, of andere maatschappelijke voorzieningen kan gebruiken. Een dergelijk nationaal puntensysteem bestaat echter niet. Dit beeld werd o.a. veroorzaakt door Sesame Credit, een commercieel puntensysteem van Alibaba-dochter Ant Financial, waarbij gebruikers op basis van hun financiële en commerciële gedrag een persoonlijke score kregen. Juist deze experimenten werden in buitenlandse berichtgeving voorgesteld alsof zij onderdeel waren van één landelijk systeem. Vanaf 2019 begon de centrale Chinese overheid dergelijke praktijken expliciet te begrenzen: scores mochten niet worden gebruikt om burgers te bestraffen en sancties moesten op formele juridische documenten zijn gebaseerd. Verschillende systemen werden vervolgens beëindigd, of omgevormd tot vrijwillige programma’s die uitsluitend beloningen konden geven. De bekende westerse voorstelling van een door kunstmatige intelligentie berekende nationale burgerscore is een dystopische mythe, dit allesomvattend controlesysteem heeft nooit bestaan.
De Chinese technologische ontwikkelingen worden nadrukkelijk verbonden met het eigen historische en culturele erfgoed. Na de radicale breuk met tradities tijdens de Culturele Revolutie, is er opnieuw veel aandacht voor Confuciaanse filosofie, klassieke literatuur, architectuur, kunst, archeologie en historische monumenten. Modernisering betekent daarmee steeds minder het vervangen van het verleden door het nieuwe, maar juist het verbinden van beide. China presenteert zich in toenemende mate als een land met een beschavingsmodel waarin technologische vooruitgang, onderwijs, nationale geschiedenis en culturele identiteit onderdeel zijn van hetzelfde langetermijnproject. Die combinatie is essentieel, omdat zij laat zien dat modernisering niet een breuk met historische continuïteit hoeft te betekenen: een samenleving kan hypermodern worden en tegelijkertijd haar eeuwenoude culturele tradities een centrale plaats geven.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via