Bert Timmermans
Om te doorgronden waarom de vraag naar de cognitieve gevolgen van AI relevant is, helpt het om stil te staan bij de wijze waarop onze hersenen werken. Van de wieg tot het graf vormen ze voortdurend nieuwe verbindingen tussen allerhande zenuwcellen in verschillende hersengebieden. Dat vermogen, plasticiteit genaamd, stelt ons in staat nieuwe vaardigheden te leren, te herstellen van schade en ons aan te passen aan veranderende omstandigheden. Maar plasticiteit is er niet zomaar. Het vraagt om daadwerkelijk gebruik van onze hersenen, om uitdaging, om inspanning, net zoals conditietraining noodzakelijk is om in conditie te blijven en zelfs meer conditie te kunnen opbouwen.
Hersenen die weinig worden uitgedaagd, bouwen minder verbindingen op; anders gezegd: ons brein is dan minder in staat om alle mogelijke functies optimaal toe te passen. Dat is geen controversiële stelling, het is een van de meest robuuste inzichten uit de neurowetenschappen. De vraag is dus niet óf hersenen reageren op wat we met ze doen, maar hóe ze reageren op een tool die voor het eerst in de geschiedenis een groot deel van het cognitieve werk van ons brein kan overnemen.
Generatieve AI, zoals ChatGPT, werkt door patronen te herkennen in enorme hoeveelheden tekst – miljoenen boeken, artikelen, websites en gesprekken. Op een vraag van de gebruiker raadt het systeem het meest logische, passende vervolg, vergelijkbaar met de voorspellende tekst op een smartphone, maar dan vele malen geavanceerder. Belangrijk is te beseffen dat AI niet ‘denkt’ zoals mensen. Het heeft geen bewustzijn, geen begrip in menselijke zin. Het herkent en past patronen toe op een wijze die fundamenteel anders is dan het menselijk redeneren.
Recent publiceerde een groep onderzoekers onder leiding van dr. Nataliya Kos’myna de voorlopige resultaten van een vier maanden durende studie naar wat er in de hersenen gebeurt als studenten essays schrijven – met ChatGPT, met een zoekmachine, of helemaal zonder hulp. De krantenkoppen die volgden waren alarmerend: “ChatGPT ondermijnt kritisch denkvermogen, MIT-onderzoekers zeggen dat het gebruik van ChatGPT je hersenen kan aantasten, Gebruik van ChatGPT is gekoppeld aan cognitieve achteruitgang.” Maar die koppen dekten de lading niet en de onderzoekers zelf waren de eersten om dat te zeggen.
54 universiteitsstudenten werden verdeeld in drie groepen: één schreef essays met ChatGPT, één gebruikte zoekmachines zoals Google, en één schreef volledig zonder externe hulp. Middels een EEG, een hersengolfmeting die de elektrische activiteit in de hersenen registreert, werd gemeten hoeveel cognitieve belasting de deelnemers ervoeren en hoe sterk de verbindingen tussen onderlinge hersengebieden functioneerden tijdens het schrijven.
De resultaten waren opvallend. Studenten die zonder hulpmiddelen schreven, vertoonden de sterkste en meest verspreide hersenactiviteit, vooral in gebieden die samenhangen met geheugen, creativiteit, begripsvorming en zelfbewustzijn. De zoekmachinegroep zat daar tussenin. De ChatGPT-groep vertoonde de zwakste hersenactiviteit, alsof de hersenen het werk goeddeels ‘delegeerden’ en ‘achteroverleunden’ terwijl het systeem de zinnen genereerde.
Dat patroon werd bevestigd door een opvallend detail uit de interviews met de deelnemers achteraf. Van de ChatGPT-gebruikers kon 83% vlak na het inleveren van hun essay niets citeren uit wat ze zojuist hadden geschreven. Ze herkenden hun eigen tekst nauwelijks. Bij de groepen die zelf hadden nagedacht, was dat gemiddeld maar 11%. Met andere woorden: wie het denkwerk uitbesteedt, onthoudt ook minder van het resultaat.
Er zijn echter een aantal beperkingen aan dit onderzoek. De studie is nog niet peer-reviewed, wat betekent dat de bevindingen nog niet door onafhankelijke wetenschappers zijn gecontroleerd en beoordeeld. De groepen waren klein: de ChatGPT-groep bestond uit slechts negen deelnemers, een aantal dat te klein is om brede conclusies op te baseren. De proefpersonen waren bovendien allemaal studenten, een groep die nog volop in cognitieve ontwikkeling is en daardoor mogelijk anders reageert dan mensen met meer levenservaring, domeinkennis of andere leergewoonten.
De studie laat wel zien dat ChatGPT-gebruik gepaard gaat met minder hersenactiviteit tijdens een specifieke schrijftaak. Er werden weinig connecties tussen verschillende hersenvelden geactiveerd, waarschijnlijk omdat de input van die velden was overgenomen door ChatGPT en dus niet nodig.
Er zijn vooralsnog geen wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen dat AI-gebruik leidt tot hersenschade, meetbare afname van hersengewicht of cognitieve achteruitgang op de lange termijn. En toch: de vroege signalen verdienen serieuze aandacht, juist omdat ze consistent zijn met wat al langer bekend is over de invloed van tools op ons gedrag en onze vermogens.
Onderzoekers spreken in dit verband van ‘cognitieve schuld’: die kan ontstaan als we structureel het denkwerk aan een extern systeem overlaten. De metafoor is niet nieuw. Navigatieapps maken ons slechter in het onthouden van routes omdat we een vaardigheid minder oefenen. Rekenmachines hebben ons vermogen tot hoofdrekenen aangetast. Tekstverwerkers met spellingcorrectie doen iets soortgelijks met onze spelling. Bij elke technologie die cognitief werk overneemt, vermindert een vaardigheid omdat we die minder gebruiken. Wat deze studie toevoegt aan dat beeld, is een concreet venster op de hersenen tijdens dat proces.
En één bevinding springt er daarbij in het bijzonder uit: de volgorde waarin je een tool introduceert, lijkt ertoe te doen. In de vierde en laatste schrijfsessie wisselden de groepen van aanpak: de ChatGPT-groep moest nu zelfstandig schrijven, en de groep die altijd zelfstandig had geschreven, mocht nu ChatGPT gebruiken. De oorspronkelijke ChatGPT-gebruikers bleken ook zonder AI nog steeds zwakkere hersenconnectiviteit te vertonen dan de groep die van meet af aan zelfstandig had gewerkt. De neurofysiologische patronen, ontstaan tijdens het gebruik van ChatGPT, leken te persisteren. Omgekeerd behield de groep die gewend was zelfstandig te denken, ook bij gebruik van ChatGPT een relatief sterke hersenactiviteit. Dit suggereert dat wie eerst leert zelfstandig te denken, beter in staat lijkt te zijn AI als hulpmiddel te gebruiken zonder cognitieve betrokkenheid te verliezen. Wie meteen op AI leunt, mist mogelijk de opbouw van die basis.
De onderzoekers wijzen AI nadrukkelijk niet af. Ze zien juist bewijs dat de manier en het moment van gebruik bepalend zijn voor het effect op onze cognitie. Wordt AI gebruikt om zelf nadenken te vermijden, om gedachteloos teksten te produceren zonder de inhoud echt te verwerken, dan verarmt het mogelijk de relatie met de eigen ideeën. De essays van de ChatGPT-groep bevatten ook aantoonbaar minder variatie in woordgebruik: deelnemers herhaalden een beperkter aantal begrippen en rapporteerden een zwakker gevoel van auteurschap over hun eigen tekst.
Wordt AI gebruikt als springplank, om te verkennen, structuur aan te brengen of een ruwe versie te verfijnen nadat de gebruiker zelf al diep over een onderwerp heeft nagedacht, dan kan het juist een krachtig instrument zijn. De studie suggereert zelfs dat dit gemengde patroon, waarbij de hersenen de leiding nemen en AI aanvult, een sterkere hersenactiviteit oplevert dan volledige delegatie. De technologie is niet het probleem. De gedachteloze inzet ervan mogelijk wel.
De onderzoekers publiceerden hun bevindingen bewust vroegtijdig – niet als noodkreet, maar als oproep aan de wetenschappelijke gemeenschap om serieus en grootschalig onderzoek op te starten. Want de technologie gaat sneller dan onze kennis over de gevolgen ervan. Terwijl honderden miljoenen mensen dagelijks AI gebruiken voor cognitief veeleisende taken, weten we nog weinig over wat dat op termijn betekent voor geheugen, kritisch denken of zelfs gevoeligheid voor cognitieve achteruitgang zoals dementie. En dat is zorgelijk.
Wat we nu kunnen zeggen, is bescheiden maar belangrijk: er zijn vroege signalen dat passief, vroeg en veelvuldig AI-gebruik het ontwikkelen van cognitieve vaardigheden kan verminderen, vergelijkbaar met hoe andere arbeidsbesparende tools dat eerder deden. Of dat op de lange termijn gevolgen heeft, voor wie en onder welke omstandigheden weten we nog niet.
En juist dat is precies de reden om de invloed van AI serieus te nemen en zuiver wetenschappelijk onderzoek naar de effecten te bevorderen, zonder dat onderzoek overigens door AI te laten overnemen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via