Ingrid Schaafsma
Ik kijk naar beelden van het tekenen van het condoleanceregister in het stadhuis van Rotterdam naar aanleiding van het overlijden van Pim Fortuyn. De rij buiten is lang en mensen staan uren te wachten tot ze naar binnen kunnen. Binnengekomen moeten ze dan ook nog wachten tot er een tafeltje beschikbaar is, waarna ze met pen hun boodschap in het condoleanceboek kunnen schrijven. De camera zoomt in op sommige berichten. In de rij is het rustig. Mensen praten met elkaar en schuiven steeds een stukje op richting de deur van het stadhuis. Elders in het land zijn er rellen geweest. Verslaggevers van de verschillende nieuwsbulletins spreken mensen in de rij aan. De teneur is dat men verdrietig is, boos, maar ook verbinding zoekt met elkaar. Ik zie niemand op een schermpje kijken. Het is 2002.
De opkomst van AI in combinatie met de smartphone zorgt ervoor dat onze onderlinge communicatie veranderd is. Steeds meer mensen appen liever een boodschap naar elkaar dan de persoon in kwestie te bellen of even langs te gaan.
De smartphone. In een reportage van 1998 werd mensen gevraagd of ze een mobiele telefoon gaan gebruiken. De meesten geven aan dat ze deze niet nodig zullen hebben. Een mevrouw zegt dat ze het wel fijn vindt even niet bereikbaar te zijn en ze vindt het ook gevaarlijk om te bellen tijdens het fietsen. Onlangs zijn dezelfde mensen uit de reportage weer benaderd en werd hen gevraagd of ze een smartphone hadden. Ze keken beschroomd naar beneden om vervolgens met een glimlach toe te geven dat ze er inderdaad allemaal één hadden.
De smartphone is een enorme stoorzender in communicatie. We zien moeders achter kinderwagens lopen terwijl ze op hun scherm scrollen. We zien een persoon praten met een onzichtbaar iemand; deze blijkt dan oortjes in te hebben en met een ander te bellen. Er worden hele gesprekken gevoerd in treinen en bussen, niet met elkaar maar via het scherm.
Ook zie je mensen op hun telefoon kijken tijdens bijvoorbeeld een gesprek op een terras. Veelal laat men dan aan elkaar iets zien op die telefoon. In grote steden als Den Haag en Amsterdam zijn in de jaren tachtig café’s gekomen waarin kranten en tijdschriften liggen om te lezen en waarin sommigen zitten te breien. Voor de kinderen zijn er kleurplaten en viltstiften. De mobiel wordt bij binnenkomst in een kluisje gelegd en aan tafel praten mensen met elkaar, terwijl ze een drankje drinken of een bordspelletje doen. Dit dient als voorteken van de nu vaak geconstateerde hang naar het analoge tijdperk; men wil een uitweg uit het technische tijdperk van het alsmaar bereikbaar zijn, een trend die eveneens waar te nemen is via een groeiend aantal video’s op youtube over de hang naar een nostalgisch smartphone-loos verleden. Het echte contact tussen mensen onderling is natuurlijk niet echt weg en het verlangen naar betekenisvol contact blijft. Zo zagen we tijdens de Covid-lockdowns gezinnen vaker rondom de tafel een spelletje spelen, en er werden toen ook weer meer handgeschreven kaarten en brieven verstuurd. Ook belden veel mensen bij de buren aan of ze iets nodig hadden.
De tijd van harde ringtones en via de telefoon vragen waar je bent mag dan wel voorbij zijn, maar met de komst van social media staan we de hele dag met elkaar in verbinding. De ruimte voor creativiteit die een mens had bij het schrijven van een brief of de ruimte om na te denken over wat men leest, is geslonken. Het draait nu vooral om het (snel) reageren en hoe vaak een bericht is aangeklikt. De algoritmen doen de rest.
We missen beelden van kinderen die buitenspelen en we kijken naar video’s van tieners die bellen met een vaste telefoon, beelden die dan gedeeld worden op social media waarbij, paradoxaal genoeg, de smartphone weer dienst doet. Dit is vergelijkbaar met degenen die een socialmedia-detox nemen en op diezelfde media melden dat ze weer bereikbaar zijn. Eindeloos scrollen op de telefoon werkt verslavend. De algoritmen houden bij waar iemand graag door afgeleid wordt. Hier zijn social media ook voor gemaakt, en ze zijn waarschijnlijk nooit bedoeld om het onderlinge sociale verkeer te verbeteren.
Dat de smartphone en AI de maatschappij aan het vervormen zijn mag zonder meer worden aangenomen. Er wordt veel minder werkelijk gecommuniceerd. Onlangs werd bekend dat er extra betaald moet gaan worden om rouwkaarten te versturen. Waar deze vroeger op tijd moesten arriveren zodat de geadresseerde naar de begrafenis kon komen, lukt dat nu vaak niet meer.
Bij appen en online reageren op berichten missen we het non-verbale, de intonatie. Wanneer twee mensen met elkaar praten is meer dan 90% van dat gesprek non-verbaal. Het gaat om de houding van de persoon, om de lichaamstaal en de stem die de intonatie maakt. Het is bijzonder dat we liever appen dan bellen met elkaar. In veel appgroepen wordt geklaagd dat het doel ervan niet voldoende wordt waargemaakt.
Het is belangrijk om te weten hoe onze jeugd ermee omgaat en er zijn genoeg jongeren die van social media afgegaan zijn. Ze werden er depressief van of zeiden dat ze teveel afgeleid werden. Dat is een goede ontwikkeling. De jeugd gaat liever sporten of samen naar een festival of een verjaardag.
Met AI maakt het nadeel voor communicatie via een smartphone nog een reuzensprong verder: we geven er steeds meer mee uit handen, van de route die we rijden tot wat we te zien krijgen op social media. Wat ons tot mensen maakt is dat we het niet altijd weten of aarzelen om iets te berde te brengen. Mensen komen vaak tot elkaar wanneer ze zichzelf in de ander zien. Wanneer jonge kinderen met een AI-assistent leren communiceren, is de vraag of ze wel eens ‘nee’ te horen krijgen om hen duidelijk te maken dat niet alles wat ze willen gerealiseerd kan worden.
Steeds meer mensen hebben moeite met het voeren van een goed gesprek. In de jaren tachtig zagen we op de televisie mensen het nog wel eens grondig met elkaar oneens zijn. Maar men bleef in gesprek met elkaar. Achter de opinie werd de mens nog gezien. Het oneens zijn met elkaar is niet persoonlijk. In veel alternatieve media zien we lange interviews en deze worden zo goed bekeken vanwege de diepgang die node wordt gemist in het huidige mainstreammedia-landschap. AI kan een hulpmiddel zijn, maar de menselijke maat zou leidend moeten zijn in het vormen van een betekenisvolle samenleving.
Tot slot nog het enorm belangrijke en diepmenselijke fenomeen van lezen. Zodra we een boek lezen zijn we weg van het scherm. Op het papier verschijnen geen korte afleidende video’s of notificaties. Bij het lezen van teksten op papier kan men meestal makkelijker de aandacht houden bij het onderwerp waarin men zich wil verdiepen. Het schept ruimte om over het onderwerp na te denken, te filosoferen en eventueel op zoek te gaan naar nog meer verdieping van het behandelde thema. Statistieken laten een enorme afname in het lezen van boeken zien. Dat was al een poosje gaande maar na 2010 ging het razendsnel. Dat was het jaar dat de smartphone op de markt kwam.
George Orwell, die de dystopische roman 1984 schreef, schilderde daarin het einde van de beschaving zoals die zou komen door het verbod op het lezen van boeken. Aldous Huxley, die de dystopische roman Brave New World schreef, heeft daar in een wederzijdse correspondentie met Orwell op gereageerd met de boodschap dat we daar niet bang voor hoeven te zijn, want mensen zouden in de toekomst helemaal geen boeken meer wíllen lezen.
Er groeit nu een generatie op die moeite met lezen heeft, en moeite om de aandacht vast te houden. En het is niet zo dat de oudere generatie hierbij de dans ontspringt. Ook de mensen van nog onder de middelbare leeftijd hebben moeite zich lang te concentreren, en nemen gefragmenteerd informatie tot zich.
Er is echter reden voor hoop in deze situatie, reden voor hoop waar u een bewijs voor bent. Want op dit moment in uw bestaan leest u immers met dit blad in handen tekst op papier.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via