Bert Timmermans
De garanties die kunnen worden gegeven voor een gedegen onderzoek, een correcte procedure alsmede een solide toezicht, bepalen de bereidheid bij potentiële donoren om na de dood organen af te staan.
‘Hersendood’ is het volledige en onomkeerbare verlies van alle hersenfuncties. Voordat een arts die diagnose overweegt, moet van een vaststaande neurologische oorzaak sprake zijn. Verstorende factoren, zoals toepassing van sedativa, onderkoeling, vergiftiging of stofwisselingsstoornissen moeten worden uitgesloten, want die kunnen iemand reactieloos maken terwijl de hersenen nog steeds functioneren.
Volgens het World Brain Death Project moet de patiënt bewusteloos zijn, niet reageren op pijnprikkels en geen hersenstamreflexen – zoals de pupil-, hoornvlies-, kokhals- of hoestreflex – meer hebben. Voor het oordeel hersendood weegt de ‘apneutest’ het zwaarst. Voor die test wordt de patiënt tijdelijk van de beademing gekoppeld en wanneer de patiënt dan niet zelf ademt, is het ademcentrum uitgevallen. Tevens wordt gelet op ernstige afwijkingen in de zuurgraad en het CO₂-gehalte van het bloed.
Kan een onderdeel van het onderzoek niet worden uitgevoerd, dan is aanvullend onderzoek nodig, zoals EEG, bloedstroomscan van de vaten in de hersenen en een CTscan van het vaatstelsel. Eén afwijkend onderdeel is al genoeg om de diagnose hersendood te laten vervallen. Wie zijn ogen opent, reageert, of zelf ademt is niet hersendood, hoe somber de prognose verder ook is. Want dan is er nog altijd sprake van een functionerende hersenstam.
Een tweede weg waarlangs vastgesteld wordt of aan een persoon donororganen kunnen worden ontnomen, wordt ‘donatie na de circulatoire dood’ (DCD) genoemd. In dit geval wordt de behandeling gestaakt, het hart stopt, en na een voorgeschreven wachttijd wordt de dood vastgesteld. De weg van DCD groeit hard. In de Verenigde Staten betrof het in 2026 tot nu toe bijna de helft van alle overleden donoren, en ook in Nederland komt een groot deel van de donororganen via deze weg beschikbaar.
Orgaandonatie levert geregeld pijnlijke incidenten op die niet lijken samen te hangen met de beoordelingscriteria. Ze wijzen er meer op dat criteria niet correct zijn toegepast.
Neem de casus van Zack Dunlap, die onterecht hersendood werd verklaard. In een artikel in The Linacre Quarterly uit 2025 betogen de auteurs dat de richtlijn van de American Academy of Neurology (AAN) voor het vaststellen van hersendood een logisch probleem blijkt te bevatten dat aanleiding kan zijn tot een onterechte doodsverklaring.
De 21-jarige Zack Dunlap kreeg in 2007 bij een quad-ongeluk ernstig hersenletsel. Hij werd hersendood verklaard. De apneutest kon niet worden uitgevoerd vanwege een aanhoudend lage hartslag, de diagnose werd dus ontleend aan de bloedstroomscan van de hersenen. De uitkomst daarvan werd gerapporteerd als ‘geen bloedstroom’.
Zijn ouders gaven toestemming voor orgaandonatie. Vlak voor de operatie reageerde Dunlap met een doelgerichte beweging op een pijnprikkel die werd gegeven door zijn neef (een verpleegkundige), waarna de donatie werd afgeblazen.
Hij herstelde volledig en leidt nu een normaal leven.
De valkuil waarlangs de beoordeling hersendood bij Dunlap de mist in ging, betrof de lage waarden voor de hersenstroom. Die waren van dien aard dat er toch nog wel wat bloedstroom – en dus leven – kon zijn. Dezelfde lage hartslag die de apneutest onmogelijk maakte, veroorzaakte een dermate zwakke bloedstroom dat die als afwezig werd afgelezen.
Volgens de toegepaste richtlijn wordt bij een volledig klinisch onderzoek (inclusief apneutest) de bloedstroomscan niet als bevestigend gezien, omdat de kans aanwezig is dat de scan als fout-negatief kan worden afgedaan. Maar als anderzijds het klinisch onderzoek niet compleet kan worden uitgevoerd, mag diezelfde scan wél worden toegepast om de diagnose met zekerheid te stellen.
Een test die te onbetrouwbaar is om iets mee te kunnen bevestigen, kan niet ineens wel voldoende zijn om iemand hersendood te verklaren. De auteurs wijzen erop dat de klinische criteria zelf als ‘gouden standaard’ worden gebruikt, zonder dat die ooit rigoureus zijn gevalideerd. Dat maakt het hachelijk om met dergelijke criteria iemand hersendood te verklaren en vervolgens over te gaan tot ontneming van diens organen.
Dunlaps ervaring past bij ‘micro vasculaire coronaire dysfunctie’. Daardoor kan een patiënt een bepaalde vorm van bewustzijn hebben, zonder dat dit zichtbaar is in diens uitingen (het zogenaamde ‘verborgen bewustzijn’). Bij sommige schijnbaar overleden patiënten zijn hersenreacties gemeten die bij een hen gegeven opdracht lijken te passen. Dan gaat het zeker niet om een hersendode patiënt. Studies tonen verborgen bewustzijn aan bij een deel van de patiënten met ernstig hersenletsel of bij comateuze patiënten. De auteurs stellen dat onderzoek aan het bed alleen dus niet kan bepalen of iemand bewustzijn heeft of niet.
Betreffende de richtlijnen betoogden Shetty en collega’s in 2025 in het Journal of Law, Medicine & Ethics dat de Amerikaanse wet en de praktijkrichtlijnen niet op elkaar aansluiten, waardoor foutieve diagnoses kunnen ontstaan. De opstellers van het World Brain Death Project schrijven dat protocollen binnen en tussen landen sterk uiteenlopen. Voor een diagnose waarmee je iemand organen mag ontnemen is dat een opmerkelijke vaststelling.
Bij het verlies van de vergunning van een donatieorganisatie in Kentucky ging het om iets anders dan de toepassing van criteria, namelijk het toezicht. Federale inspecteurs vonden volgens de berichtgeving ernstige tekortkomingen in bijna dertig procent van de onderzochte dossiers. De organisatie had verbetering beloofd en leverde die niet. Hun vergunning is ingetrokken. In het meest besproken geval zou een patiënt tekenen van leven hebben getoond terwijl de voorbereiding doorliep, totdat een arts weigerde. Volgens de berichtgeving dreigde een coördinator die daarover belde haar baan te verliezen als er geen andere chirurg werd ingeroepen die de procedure wel wilde voortzetten.
Naast de vraag of de diagnose klopt, ligt er een nog lastiger vraag: is hersendood wel echt dood? Alan Shewmon was jarenlang voorstander van het criterium en werd later een van de scherpste critici. Hij beschreef patiënten die jaren overleefden met een volledig uitgevallen hersenfunctie. Volgens hem blijft het lichaam dan een geïntegreerd levend organisme. Dan is hersendood dus iets anders dan dood.
Robert Truog en Franklin Miller trekken een ongemakkelijke conclusie. Zij erkennen dat het criterium strikt genomen niet klopt, maar vinden donatie toch verdedigbaar: de patiënt heeft geen toekomst, de behandeling wordt gestaakt en er is toestemming. Zij verschuiven de kwestie van “is hij dood?” naar “onder welke voorwaarden mag je organen nemen?” Dat criterium is niet aanvaardbaar voor een systeem dat zijn legitimiteit dient te ontlenen aan de zekerheid dat de donor overleden is, de oorspronkelijke voorwaarde voor orgaandonatie.
Er zijn altijd meer patiënten op de wachtlijst dan donoren, en schaarste kan hoge druk betekenen voor de artsen die moeten vaststellen of de donor ook echt dood is. Daarom hangt alles af van twee dingen. De arts die de dood vaststelt, moet geen belang hebben bij de transplantatie. En er moet een toezichthouder zijn die ingrijpt voordat het misgaat, niet pas daarna. De zaak in Kentucky laat zien dat ingrijpen kan. Het laat ook zien dat het in dit geval pas gebeurde nadat een organisatie herhaalde beloftes had gebroken.
Voor Nederland is de kwestie van het correct vaststellen van de dood zeer urgent, omdat sinds 2020 iedereen die verzuimt aan te geven geen donor te willen zijn wettelijk als donor geregistreerd staat. Een systeem dat zoveel burgers tot orgaandonatie verplicht, moet kunnen uitleggen wat er aan het bed gebeurt: wat de criteria zijn voor het vaststellen van de dood, welke incidenten er zijn geweest en wat ermee is gedaan. Ook als het antwoord ongemakkelijk is. Nu krijgen we hooguit informatie op hoofdlijnen over incidenten, voornamelijk logistieke- en procesfouten. De cijfers gaan niet over schade aan patiënten. Het aantal incidenten varieert in Nederland tussen 35 (in 2020) en 85 (in 2022). Het is onduidelijk hoeveel van deze meldingen daadwerkelijk tot patiëntschade hebben geleid. Dit gebrek aan volledige transparantie ondergraaft het vertrouwen in orgaandonatie.
Een als veilig gepropageerde donatie is pas geloofwaardig als fouten zichtbaar worden en er ook aantoonbaar iets mee gebeurt. Zover is het nog niet.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via