Eric Lopes Cardozo
Toen op 6 september jl. AfD bij de verkiezingen in de Duitse deelstaat Saksen-Anhalt met 43,8% van de stemmen een overwinning behaalde, spraken internationale media binnen een dag over een “far-right”-doorbraak die “heel Europa zorgen baart”. AfD is inderdaad niet de enige partij die dit etiket krijgt opgeplakt. Het treft ook het Franse Rassemblement National, de Oostenrijkse FPÖ, het Italiaanse Fratelli d’Italia en het Spaanse VOX. Dichter bij huis worden de PVV en Forum voor Democratie herhaaldelijk voorgesteld als een ‘bedreiging voor de democratie’. Dat staat echter los van wat deze partijen zeggen na te streven. Wat eveneens over het hoofd wordt gezien is het gedrag van ‘linkse’ partijen en de zittende macht zelf, die dit soort etiketten te pas en te onpas opplakken.
Politicoloog Cas Mudde onderscheidt al gedurende twee decennia twee assen, die in de publieke duiding stelselmatig worden samengevoegd. De eerste as is de vraag of een partij de democratische spelregels zelf accepteert, zoals bijvoorbeeld het houden van verkiezingen en het toestaan van oppositie. De tweede as is de vraag of een partij liberale beperkingen op de wil van de meerderheid wil inperken. Hierbij moet worden gedacht aan het beschermen van minderheden, het respecteren van grondrechten en de scheiding der machten. Hij stelt dat wie beide assen samenvoegt, een partij die de grens van de tweede vraag opzoekt zonder onderbouwing kan framen als een bedreiging voor de eerste. En dat is precies wat er gebeurt. Het etiket van ‘antidemocratisch’ wordt uitgedeeld op grond van standpunten over migratie, gender, of het handelen van de rechtspraak. Het heeft niets van doen met het afschaffen van democratie. Precies het omgekeerde is het geval. In partijprogramma’s van deze partijen wordt juist gepleit voor meer democratie.
Het verkiezingsprogramma van Forum voor Democratie vermeldde in 2025 bijvoorbeeld: een bindend referendum naar Zwitsers model en een direct gekozen burgemeesterschap. Rassemblement National wil in 2027 een referendum “d’initiative citoyenne” (burgerinitiatief) en verplichte voorlegging van elke grondwetswijziging aan de kiezer. De FPÖ voerde haar campagne van 2024 zelfs onder het motto “de andere partijen zijn bang voor meer democratie” en wil een directe afzettingsmogelijkheid van de regering in de grondwet vastleggen.
Bij het Spaanse VOX ligt het wat genuanceerder. VOX pleit eveneens voor referenda over ingrijpende maatschappelijke en politieke thema’s. Het is echter fel nationalistisch en wil daarom een einde maken aan de gedecentraliseerde Spaanse structuur met zijn autonome regio’s (Catalonië en Baskenland), teneinde de macht terug te brengen naar Madrid. Daarom pleit VOX (ook) voor een referendum over het afschaffen van regionale parlementen en het verbieden van separatistische partijen.
De zittende macht doet er alles aan om de opmars van de bovengenoemde partijen in het perken. Zo heeft in Duitsland de Verfassungsschutz (Duitse Binnenlandse Veiligheidsdienst) getracht AfD in haar geheel het etiket op te plakken van: ‘gesichert rechtsextrem’ (‘bewezen rechtsextreem’). Dit is de zwaarste kwalificatie die de dienst kent. Tegenstanders zien dit als opstap naar een verbod, ook al staan classificatie en een eventuele verbodsprocedure juridisch gezien los van elkaar. Het Verwaltungsgericht Köln zette daar op 26 februari 2026 overigens een streep doorheen. Sindsdien geldt AfD federaal weer als ‘Verdachtsfall’ (verdachte zaak). Diezelfde veiligheidsdienst kreeg al eerder het deksel op de neus. Een onderzoek in het kader van het kunnen verbieden van de NPD strandde in 2003, omdat de partijleiding van de Noordrijn-Westfaalse afdeling deels bestond uit infiltranten. De staat had getracht een partij te verbieden op basis van uitspraken die het deels zelf had gedaan.
Het zwaarste middel, een partijverbod, ligt in Duitsland inmiddels wel op tafel. Op initiatief van Bündnis 90/Die Grünen dienden 113 Kamerleden een motie in om de Bundestag het Bundesverfassungsgericht (federaal constitutioneel hof) te laten verzoeken AfD ongrondwettelijk te verklaren. Meer dan duizend juristen ondertekenden een vergelijkbare oproep. Coalitiepartner SPD gaf positieve signalen, maar bij CDU/CSU – de grootste regeringsfractie – bleef het stil.
De partijen die worden beschuldigd van het uithollen van de democratie, verschijnen in hun eigen partijprogramma’s overwegend als pleitbezorgers van méér directe democratie. In Nederland is het hiervoor benodigde instrument echter tot tweemaal toe buiten werking gesteld, precies door de partijen die nu waarschuwen voor antidemocratische krachten.
In 2005 verwierp 61,5% van de Nederlandse kiezers de Europese Grondwet. Premier Balkenende verklaarde dat het voorstel “in de prullenbak” lag. Twee jaar later kwam de inhoud vrijwel ongewijzigd, zonder nieuwe referendum, terug als Verdrag van Lissabon. D66’er Boris van der Ham probeerde nog een nieuwe volksraadpleging af te dwingen, omdat peilingen wezen op steun voor de ‘aangepaste’ tekst. Dat voorstel werd geblokkeerd door de Tweede Kamer. In 2016 herhaalde zich hetzelfde patroon. Bij een geldige opkomst van ruim 30% verwierp 61% van de kiezers het associatieverdrag met Oekraïne. Premier Rutte accepteerde die uitslag niet. De kwestie was naar zijn zeggen “groter dan Nederland alleen”. Hij onderhandelde een juridisch bindende verklaring (het inlegvelletje). Dit veranderde echter niets aan de kern van het verdrag. Beide Kamers ratificeerden het alsnog. Het kabinet trok in 2018 vervolgens de Wet raadgevend referendum zelf in. Het instrument verdween, nadat het twee keer een uitslag had opgeleverd die de regering niet beviel.
Het ‘correctief referendum’, al decennialang bepleit vanuit de Tweede Kamer, doorliep zijn eerste lezing pas in 2023 en zijn tweede lezing in de Tweede Kamer op 21 januari 2025. De Eerste Kamer moet nog met een twee derde meerderheid instemmen. De marge is smal en tegenstand is al aangekondigd. Daarnaast vereist het nog een uitvoeringswet, die minister Uitermark op zijn vroegst medio 2026 verwacht in te dienen. Twintig jaar na de eerste indiening functioneert het instrument nog altijd niet.
Diezelfde jaren leverden een uitbreiding op van instrumenten die niet werden ingeperkt of stilgelegd, maar juist actiever zijn ingezet. De pers heeft – mede door het monopolie van DPG Media en Mediahuis, samen goed voor 95% van de Nederlandse dagbladmarkt – zijn waakhondfunctie verloren. De rechterlijk macht vertikt het om als het er echt om gaat inhoudelijk te toetsen en gooit het – zoals bij de avondklokzaak – op “een politieke afweging” met daarbijpassende terughoudendheid. Ook de geheime diensten krijgen vrij spel. De Autoriteit Persoonsgegevens stelde op 5 november 2021 vast dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) zonder wettelijke grondslag persoonsgegevens verwerkte van burgers die kritisch waren op het coronabeleid. Toezichtrapport 83 van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, gepubliceerd op 12 februari 2026, bevestigde dat de AIVD en de MIVD diezelfde beleidscritici eveneens hadden gemonitord. De toezichthouder noemde dit rechtmatig, op basis van criteria als ‘onjuiste informatie verspreiden’ en ‘angst zaaien’, kwalificaties die nergens in het rapport nader worden gedefinieerd.
Sinds 28 augustus 2026 loopt de consultatie voor een nieuwe Wet bescherming nationale veiligheid, ingediend door minister Yeşilgöz (Defensie, verantwoordelijk voor de MIVD) en minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verantwoordelijk voor de AIVD). Die nieuwe wet staat toe dat de AIVD en de MIVD hacken en aftappen bij ‘evidente tegenstanders’, zonder voorafgaande toetsing door de onafhankelijke Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden. Verder verplicht het bedrijven en platforms om data af te staan op straffe van strafvervolging. In plaats van te voorkomen dat deze diensten buiten de wet om handelen, wordt voorgesteld om een toets weg te nemen die dat zou kunnen vaststellen.
De partijen die als ‘groot gevaar voor de democratie’ worden aangemerkt, zijn in vrijwel alle gevallen de partijen die om referenda, terugroepingsrecht of bindende volksraadpleging vragen. Instrumenten dus, die de gevestigde partijen zelf hebben geblokkeerd, ingetrokken, of na twintig jaar nog altijd niet hebben ingevoerd. Wie zich afvraagt waarom kiezers massaal naar dit soort partijen overlopen, hoeft het antwoord niet ver te zoeken. Een partij die meer democratie eist, staat in scherp contrast tot een establishment-partij, die diezelfde democratie juist stapsgewijs uitholt. De democratie die zogenaamd wordt bedreigd, is voor een groeiend deel van het electoraat feitelijk al verdwenen. Het label ‘antidemocratisch’ is daarmee niet langer een diagnose, maar een alibi.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via