Charles Orlik
Ook archivarissen krijgen hier steeds vaker mee te maken en krijgen de vraag hoe ze archiefbeschrijvingen ‘inclusiever’ kunnen maken. Inventarissen (de beschrijvingen waarmee archieven toegankelijk en doorzoekbaar worden) zouden volgens deze visie namelijk ‘problematische’ termen bevatten. Het gevaar is echter dat de herschrijving van de geschiedenis hier al begint, nog voordat historici überhaupt de kans krijgen om de archiefstukken zelf te duiden.
Hoe we naar de wereld kijken loopt via taal. Wie de taal verandert, verandert dus ook hoe mensen denken en dat is een eerste, cruciale stap in het herinrichten van de samenleving. De geschiedenis laat keer op keer zien hoe overheden deze methode inzetten om ideologieën door te drukken die lang niet door iedereen worden aanvaard. Wat het ministerie nu doet, namelijk zonder enige terughoudendheid woke ideeën over de hele samenleving uitrollen, is historisch gezien dan ook ronduit alarmerend.
Taalpolitiek wordt hier ingezet als propagandamiddel. De woke ideologie, die beweert dat je met taal de biologische realiteit kunt veranderen en maatschappelijke problemen kunt oplossen, wordt actief gepromoot, terwijl andere wereldbeelden naar de achtergrond worden gedrukt. De filosoof John Stuart Mill (1806–1873) waarschuwde hier al voor: als bijna de hele mensheid dezelfde mening heeft, en een enkel persoon denkt daar anders over, dan heeft die meerderheid nog steeds niet het recht om die ene persoon het zwijgen op te leggen. Met dit soort maatregelen plaatst de overheid zichzelf dus op een gevaarlijke manier in de rol van enige arbiter van wat moreel juist is.
Archivarissen spelen een sleutelrol tussen verleden en heden. Ze beheren niet alleen archieven, maar hebben er ook een duidelijke ethische verantwoordelijkheid voor. Van hen wordt verwacht dat ze de integriteit en authenticiteit van archiefstukken bewaken, dat wil zeggen dat die stukken niet worden aangepast en een betrouwbare weergave blijven van het verband waarin ze zijn ontstaan. Alleen zo blijven archieven echt bewijsmateriaal van het verleden. Tegelijkertijd moeten archivarissen archieven zo toegankelijk mogelijk maken en iedereen naar behoren of adequaat van dienst zijn. Die dubbele taak, het bewaren zowel als toegankelijk maken, vraagt om terughoudendheid, niet alleen bij de fysieke stukken, maar ook bij de inhoud zelf.
Daar komt nog bij dat archivarissen vanuit hun ethische code werken vanuit een positie van vertrouwen. Voorstanders van ‘inclusiever taalgebruik’ binnen de archiefsector beroepen zich op diezelfde uitgangspunten, maar geven er een totaal andere draai aan. Waar de archivaris traditioneel juist terughoudend is en de integriteit van het archief bewaakt, wordt die verantwoordelijkheid nu gebruikt als reden om in te grijpen in de beschrijvingen. Terminologie die als ‘problematisch’ wordt gezien, moet volgens deze inclusiviteitslijn worden aangepast, herschreven of van extra duiding voorzien, allemaal met het argument dat het archief zo “toegankelijker en begrijpelijker” wordt voor een modern (lees: ‘progressief’) publiek.
Daarmee verschuift de rol van de archivaris van hoeder naar corrigeerder. Het draait niet langer om het bewaren van de oorspronkelijke context, maar om het aanpassen ervan aan de van buitenaf opgedragen normen en gevoeligheden. Die spanning is fundamenteel: waar de traditionele aanpak de integriteit en authenticiteit van het archief beschermt, wordt in deze nieuwe benadering herinterpretatie juist een voorwaarde voor ‘toegankelijkheid’.
De positie van archivarissen wordt zo ingezet om de belangen van de woke ideologie te dienen, in plaats van het algemeen belang. Het probleem is dat aanhangers van deze benadering, net als bij andere absolutistische ideologieën, hun eigen ideeën zien als het algemeen belang. Het aanpassen van inventarissen is daarmee geen praktische ingreep meer, maar een ideologische vereiste. Archivarissen die vasthouden aan een traditionele visie krijgen daardoor niet alleen met praktische vragen te maken, maar ook met serieuze beroepsethische dilemma’s.
- Het artikel gaat hieronder verder -
Het cartoonboek bevat een bonte verzameling van de beste, scherpste, mooiste en meest treffende cartoons uit Gezond Verstand.
Maak kennis met de cartoonisten, die u meenemen in het creatieproces en stap voor stap laten zien hoe de cartoons tot stand komen.
Waar komen de ideeën en inspiratie vandaan?
Welke materialen gebruiken ze en wat vinden ze het mooiste en moeilijkste aan hun vak?
Normaal €42,50 voor abonnees €39,50
In archivistische vakbladen worden de activistische geluiden ook steeds luider. Het doel is duidelijk: ‘inclusiviteit’ moet in alles en allen zitten, van beleidsmakers tot uitvoerders en iedereen daartussen. Het moet een zaak van de hele organisatie worden. De voorstellen die daarbij worden gedaan gaan dus niet alleen over de inhoud, maar grijpen ook in op hoe organisaties zelf worden ingericht en aangestuurd.
Veel van die inhoudelijke adviezen worden verpakt in ogenschijnlijk neutrale en onschuldige taal, maar schijn bedriegt. Neem het ‘voorzien van context’ bij archiefbeschrijvingen: dat betekent in de praktijk gewoon dat er een ideologische interpretatielaag overheen wordt gelegd. Een inventaris is dan niet langer alleen een hulpmiddel om iets te vinden, maar wordt ook een middel om te duiden.
Het vervangen van ‘problematische’ termen komt er simpelweg op neer dat historisch taalgebruik wordt weggehaald, en dat opent de deur naar een eindeloos subjectief proces. Hoewel het archiefstuk zelf (nog) niet wordt aangepast of verwijderd, wordt de betekenis via de beschrijving wel degelijk al verschoven.
Hier gebeurt hetzelfde als in de retoriek: door de context te veranderen, verandert ook de betekenis. Zo wordt taal gebruikt als middel om de interpretatie van het verleden in een bepaalde richting te sturen.
De verwijderde termen worden vervolgens als extra metadata opgeslagen, dat bekent als gestandaardiseerde gegevens die bepalen hoe archiefstukken worden gevonden, geordend en zichtbaar worden. Want daarmee verschuift het probleem gewoon: van de zichtbare beschrijving naar de minder zichtbare, maar juist bepalende laag van metadata. En daar zit nu net het risico. Metadata lijken technisch en neutraal, maar zijn dat niet. Ook daar worden keuzes gemaakt. En die keuzes bepalen uiteindelijk wat wel of niet zichtbaar wordt. Het gevaar van selectieve zichtbaarheid van archiefstukken ligt dus wel degelijk op de loer.
Ook de belofte van ‘transparantie’ verandert daar niets aan. De ingreep in de historiciteit is al gedaan. Het debat over taal en terminologie dat de ‘inclusieven’ zeggen te willen voeren, komt dus pas achteraf en wordt daarmee niet meer dan een legitimeringsmonoloog.
Ook ideeën als crowdsourcing bij het maken van archiefbeschrijvingen klinken in eerste instantie als een onschuldige vorm van democratisering. Maar in de praktijk dreigt archiveren zo te veranderen in een sociaal onderhandelingsproces, in plaats van een vakmatig product met een duidelijke professionele standaard te zijn.
Zoals gezegd blijft het niet bij inhoud alleen, er worden namelijk ook organisatorische stappen voorgesteld, zoals het opstellen van ‘helder beleid’ binnen de organisatie. In de praktijk betekent dit dat een ideologie wordt ingebouwd en genormaliseerd binnen archiefinstellingen. Om dat beleid goed te laten landen, moet er natuurlijk ‘draagvlak’ worden gecreëerd onder medewerkers. Dat klinkt wederom mooi en democratisch, maar bij dit soort absolutistische ideologieën leidt dat gewoonlijk tot sociale druk en conformisme. Het gevolg hiervan is dat archivarissen en archiefmedewerkers hun werk niet meer echt onafhankelijk en vakmatig kunnen doen.
En doordat dit beleid actief wordt uitgedragen, verandert ook de rol van archiefinstellingen. Deze worden niet langer gezien als neutrale bewaarplaatsen, maar steeds meer als spelers met een normatieve rol in het maatschappelijk debat. Wat begint als een kleine aanpassing van terminologie, eindigt zo in de volledige institutionalisering van een ideologie.
Archiefstukken en ook archiefbeschrijvingen zijn natuurlijk altijd een product van hun tijd. Maar dat is geen reden om ze aan te passen, het is juist een reden om er vanaf te blijven. Hun waarde zit er namelijk in dat ze een andere werkelijkheid laten zien dan die van ons, niet dat we ze gaan omvormen of bijstellen naar wat we nu vinden.
Het wel bewaren van oude beschrijvingen in deze taalkundige beeldenstorm biedt dan ook weinig geruststelling. Want uiteindelijk bepalen de nieuwe beschrijvingen wat mensen zien, vinden en begrijpen. Daarmee verschuift de duiding van het verleden, ook al is het oorspronkelijke materiaal er nog beschikbaar.
Als elke generatie het archief naar eigen inzicht gaat ‘corrigeren’, krijg je geen beter begrip van het verleden, maar stapel je gewoon nieuwe interpretaties op elkaar. Het idee dat ‘inclusiviteit’ als vaste waarde moet worden ingebouwd om een archief ‘toekomstbestendig’ te maken, gaat er bovendien vanuit dat die toekomst al vastligt. Alsof we al weten waar het naartoe moet. Daarmee is het geen open ontwikkeling meer, maar een vastgelegd eindpunt waar alles naartoe moet worden gestuurd.
In dat licht is de opdracht voor archivarissen eigenlijk heel duidelijk: niet meegaan in de normering van het heden, maar juist de integriteit en historiciteit van het verleden beschermen. Alleen dan blijft het archief een bron van kennis en wordt het geen instrument van de tijdgeest.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via