Jeroen van den Berg
De casus van EU-buitenlandchef Kaja Kallas fungeert daarbij als een soort vergrootglas. Ze heeft ontelbare uitspraken gedaan die getuigen van een simplistische lezing van de geschiedenis, met name over de Tweede Wereldoorlog. Haar ‘cartoonachtige’ interpretaties wijzen op een bredere tendens bij de vrouwelijke elites om complexe geopolitiek te reduceren tot morele zwart-wit retoriek. Dat is in eerste instantie een intellectueel probleem, maar heeft bovendien kolossale consequenties voor het politieke beleid. Daar komt bij dat Kallas bekendstaat om haar uitgesproken, compromisloze houding richting Rusland. Zelfs binnen de EU, waar Rusland breed als dreiging wordt gezien, wordt haar hoogdravendheid als uitzonderlijk confronterend beschouwd. Haar expliciete stelling dat Oekraïne de oorlog ten koste van alles moet winnen, illustreert dit. In diplomatieke termen is dat geen nuance, maar een absolute positionering. En juist dat is symptomatisch voor de leiderschapsstijl die zichtbaar is.
Veel van de uitspraken van de bovengenoemde vrouwelijke politieke leiders zijn ongelukkig en dom, maar de belangrijkere vraag is waarom dit type leiderschap zo dominant is geworden. Een zwaarwegende reden is de manier van rekrutering, via bijvoorbeeld het Young Global Leaders-programma van het World Economic Forum (WEF). Moderne politieke systemen selecteren niet langer op staatsmanschap, maar op conformiteit aan een ideologisch en bureaucratisch kader. De weg naar de top loopt via partijen, corruptie, ngo’s, netwerken en instellingen waarin loyaliteit, mediavaardigheid en ideologie zwaarder wegen dan strategische diepgang. Het zogenoemde ‘Peter Principle’ (peterprincipe) speelt hier een rol, maar niet alleen in zijn klassieke vorm. Naast het feit dat mensen promoveren tot hun niveau van incompetentie, is het systeem juist op deze hiërarchische laag in zichzelf al incompetent. In die zin ontstaat een nieuwe vrouwelijke politieke elite die uitstekend functioneert binnen een dergelijk systeem, maar daarbuiten grote moeite heeft met de weerbarstige realiteit.
Daarbij komt nog dat benoemingen op dit niveau meestal geen organisch gevolg zijn, maar het resultaat van politieke afwegingen. Gender speelt hierin een expliciete rol. Het invullen van topposities met vrouwen fungeert als signaal van moderniteit en legitimiteit. Dit maakt dat selectiecriteria verschuiven van inhoudelijke geschiktheid naar representatieve waarde.
Tegelijkertijd is er een merkwaardige spanning. Waar traditionele leiders hun hardheid baseerden op macht, verantwoordelijkheid en persoonlijke risico’s, is de hedendaagse hardheid compleet losgezongen van die context. Besluiten worden nu genomen binnen multilaterale structuren, waardoor verantwoordelijkheid diffuus is. De retoriek binnen deze structuren wordt scherper, terwijl de persoonlijke inzet van de leider juist kleiner is. Dat creëert een vorm van risicoloze escalatie: de harde woorden zijn zonder directe consequenties voor de spreker, het systeem beschermt immers zichzelf. Een ander terugkerend punt is het gebrek aan historische diepgang. Wanneer beleidsmakers complexe conflicten reduceren tot morele narratieven, verliezen zij het vermogen om patronen en belangen te herkennen. De observatie dat uitspraken van de Europese vrouwelijke leiders internationaal worden bespot, wijst op een groeiende kloof tussen hoe Europa zichzelf ziet en hoe het door anderen wordt waargenomen.
De kern van het probleem ligt in het tijdperk van het zogenaamde ‘managementdenken’. Leiderschap is in de afgelopen decennia verschoven van inhoud en visie naar processen en modellen. Deze begrippen zijn van hulpmiddelen getransformeerd naar een cultachtige doctrine. De realiteit wordt niet langer werkelijk begrepen met al haar nuances en details, maar gemodelleerd. Wie het model beheerst, wordt gezien als competent, ongeacht of dat model aansluit bij de werkelijkheid. Dit heeft verstrekkende gevolgen. Leiders worden niet langer geselecteerd op hun vermogen om complexe situaties intuïtief en op basis van ervaring te doorgronden, maar op hun vaardigheid bij het navigeren in het land van de zogenoemde frameworks. De top van de politieke organisaties wordt als het ware zelf een gesloten systeem. Besluiten ontstaan niet vanuit inzicht, maar vanuit processen en wie deze methodiek beheerst, stijgt in hiërarchie.
Dit fenomeen wordt versterkt door wat in de organisatiekunde bekendstaat als ‘institutionele homogenisering’. Leiders volgen dezelfde opleidingen, lezen dezelfde boeken en spreken dezelfde taal. Ze bewegen zich in dezelfde netwerken, worden beoordeeld op dezelfde criteria en leren dezelfde reflexen. Het resultaat is een politieke vrouwelijke elite die inwisselbaar is geworden. Niet alleen qua uiterlijk, maar vooral qua denken. Wat dit zo verraderlijk maakt, is dat het zichzelf versterkt. Wie afwijkt van de norm – wie te veel intuïtie toont, te weinig jargon gebruikt, of de verkeerde vragen stelt – valt buiten de selectie en wordt gezien als een afvallige. Wat overblijft is een steeds homogenere groep leiders, die perfect zijn afgestemd op het systeem. In die context is het niet verwonderlijk dat politiek leiderschap generiek aanvoelt en besluitvorming vastloopt in procedures. Dit patroon is extra sterk zichtbaar bij vrouwelijke leiders. Niet omdat zij per definitie zo opereren, maar omdat zij via een strenger selectieproces naar boven zijn gekomen. Vrouwen in topposities bevinden zich in een zogeheten situatie van ‘double bind’ (dubbele binding). Zijn ze te zacht, dan worden ze niet serieus genomen. Zijn ze te hard, dan worden ze als onaangenaam ervaren. De veilige route is die van formeel en procedureel gedrag. Dat leidt tot een stijl van leiderschap die weinig ruimte laat voor improvisatie of situationeel inzicht.
Vrouwelijk gezag neigt meer naar emotioneel gedreven en moralistische besluitvorming. In een omgeving waarin afwijkende geluiden worden ontmoedigd en consensus wordt beloond, ontstaat een echokamer waarin bepaalde aannames zelden worden uitgedaagd. Daar komt bij dat vrouwelijke leiders gemiddeld minder fouten mogen maken. Waar een mannelijke leider zich soms een ondoordachte uitspraak kan permitteren, wordt een vrouw daar structureel op afgerekend. Dit creëert een sterke prikkel tot risicomijding, en dit leidt vervolgens tot procedureel gedrag. Wie zich verschuilt achter het proces, kan immers minder snel persoonlijk worden aangesproken. Het resultaat is een type persoon die zich perfect beweegt binnen het systeem, maar moeite heeft om daarbuiten effectief te opereren. Dat verklaart ook waarom uitspraken van vrouwelijke Europese toplieden internationaal als naïef of wereldvreemd worden beschouwd. Zij opereren vanuit een kader dat onvoldoende aansluit bij de realiteit van machtspolitiek. De rol van media en publieke opinie versterkt dit effect. In een tijdperk van permanente zichtbaarheid worden leiders gedwongen om voortdurend positie te kiezen.
Het idee achter meer vrouwen aan de top was aanvankelijk bedoeld om een andere, mogelijk meer verbindende stijl van leiderschap te brengen. In plaats daarvan zien we een fikse versterking van bestaande patronen: bureaucratisering, ideologisering en dogma’s. Een verklaring hiervoor ligt in de aard van moderne instituties. De Europese Unie, waar figuren als Ursula von der Leyen en Kaja Kallas opereren, is bij uitstek een technocratisch project. Besluitvorming verloopt via regels, procedures en consensusmechanismen. In zo’n omgeving wordt taal abstract en generiek. Beleidsdocumenten vervangen visie en procesdenken verdringt strategisch inzicht. Dit verklaart waarom veel uitspraken van leiders hol en clichématig zijn. Het zijn geen spontane gedachten, maar producten van een systeem dat risico’s minimaliseert en afwijking ontmoedigt.
In onze moderne tijd wordt dit verschijnsel extra zichtbaar. Dit komt door de grillige geopolitieke context. De wereld is minder stabiel en conflicten zijn complexer. In zo’n omgeving vallen tekortkomingen sneller op. Het resultaat is een type leider die tegelijkertijd assertief en voorspelbaar is, hard en abstract, zichtbaar maar ongrijpbaar. Deze individuen zijn in beginsel meestal onbekwaam, maar bovenal omdat zij opereren binnen een systeem dat bepaalde eigenschappen beloont en andere onderdrukt. De kern van het probleem ligt bij het systeem dat hen voortbrengt. Wat we zien is geen toevallige samenloop van zwakke leiders, maar een structurele verschuiving in de aard van leiderschap. De vrouwen aan de politieke top hebben dit verschijnsel nog zichtbaarder gemaakt.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via