F. van Rozendaal
Dit thema is uitgewerkt door een wetenschappelijke lector openbare orde en gevaarbeheersing van de Politieacademie, met een publicatie in Tijdschrift voor de Politie (2026 nr.1), een platform voor het ‘vrijmoedige debat’. De eerste zinnen in de publicatie over dit thema laten niets aan de verbeelding over, iets dat vanaf de coronacrisis speelt bij de groeiende groep ‘bewuster’ wordende kritische dienders: “Politiemensen kunnen bijvoorbeeld geraakt worden door menselijk lijden, zich schuldig voelen over inzet van geweld, of zich schamen voor acties van collega’s. Vaak spelen in verhalen over morele verwonding ook gevoelens van verraad of miskenning een rol.” Dit wordt onder het kopje ‘organisatie als gretig instituut’ gevolgd door: “veel van de interviews draaiden rond ervaringen van teleurstelling, verraad en cynisme, die vooral de politieorganisatie betroffen”. Citaat van een geïnterviewde: “Buiten beslis je in luttele seconden over iemands leven en binnen ben je een kleuter.” Allemaal bevindingen gestoeld op een intensief narratief-onderzoek onder moreel verwonde politiemensen, leidend tot de uitnodiging om daar als individu en als politieorganisatie moreel iets van te leren. Het opmerkelijke van deze publicatie is de nadruk die gelegd wordt op de context van deze ‘morele verwonding’, waarbij de binnenwereld van de politieorganisatie een cruciale rol speelt. De onderzoek-verhalen worden “niet alleen gekenmerkt door frontlijnincidenten, maar juist ook door vormen van institutioneel verraad. Sterker nog, deze agenten ervoeren juist de combinatie van moreel ingrijpende gebeurtenissen op straat met de reactie van de organisatie als funest”.
“Politiemensen worden opgeleid voor meer dan een baan”, benadrukt de hoofdredacteur van Tijdschrift voor de Politie, Jaco van Hoorn, in zijn voorwoord, daarmee inhoudelijk naar het thema verwijzend waarin ‘goede dienders’ zich bij uitstek onderscheiden door middel van hooggespannen verwachtingen over hun vak en over wat zij zouden kunnen bijdragen. Van oudsher zijn mij ambtshalve de ideële motieven van deze dienders bekend: rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid en hulpvaardigheid. Door Van Hoorn wordt het politievak aangemerkt als ‘een roeping’. Wanneer echter deze gedrevenheid zich uit in een extra stap daarin, loopt men zelf risico’s. In dit verband benadrukt hij het gegeven dat de politie een geweldsmonopolie heeft. “Politiemensen moeten hun bevoegdheden om machtsmiddelen in te zetten kennen, terwijl dienstbaarheid hun primaire drijfveer blijft. Dus als het even kan, geen macht gebruiken. De professionele geloofwaardigheid staat hierbij op het spel. Het gaat daarbij om ‘een identiteit, die doorwerkt tot in de privétijd’.”
Nadere duiding van de diepliggende oorzaak ontbreekt echter in deze publicatie, in tegenstelling tot de ernst van de ‘verwondingen’ die nader worden belicht. Een gemis, herkenbaar als de bekende ontwijking om openlijk tegen de ‘voorgeschreven werkelijkheid’ te ageren. Er wordt geen enkel woord gewijd aan de ‘onderdrukkende en slopende’ overheidsmaatregelen in het huidige tijdsgewricht, met de inherente moreel gevoelige repercussies hiervan bij het politiek gedreven handhavingswerk. In eerste oogopslag vormt het thema dan ook een wat low profile geschreven reflectie vanuit onderwijsperspectief, met algemeen bekende oplossingen als ethiektraining, dialoog, leren omgaan met morele complexiteit en een beschouwing over ‘uitval’ wegens beroepsziektes. Bij nader inzien blijkt de onderzoeker echter toch juist niet mis te verstane tendensen te duiden die volgens hem nader onderzoek vereisen. In de eerste plaats het idee dat dit fenomeen zich pas ‘recentelijk’ aandient en in de tweede plaats de uitnodiging aan de politie om zich als organisatie ‘op moreel vlak te leren ontwikkelen’. Dat tweede aspect ingeluid met zorgelijke bevindingen als: “institutioneel verraad (…) reactie van de organisatie als funest (…) verraad en cynisme die vooral de organisatie betroffen (…) indicatie van immorele praktijken, procedures en beleid (…) momenten waarop het eigen handelen en denken moreel botst, bijvoorbeeld met wat is voorgeschreven (…) oog voor het organisatorische en morele weefsel waar politiemensen deel van uitmaken”.
De gebruikelijke (onderwezen) omgang met morele dilemma’s bij de dagelijkse uitvoering van diverse politietaken onder twee gezagsvormen – het openbaar ministerie en de burgemeester – aangevuld met noodhulpverlening, wordt hier niet besproken. Wel wordt de focus gericht op recente werkervaringen, opgelegd door de eigen organisatie, waarbij men kennelijk tot immoreel gedrag wordt gedwongen, leidend tot morele trauma’s.
Het moreel gevoel van ‘de goede diender’ wringt als nimmer tevoren, juist in het huidige tijdsgewricht van wankelend vertrouwen van de bevolking in de overheid. Zoals gesignaleerd in Gezond Verstand nr. 56, met: “Velen die in de twintigste eeuw nog bezield kozen voor het vak, ervaren nu dat hun motivatie knaagt en het moreel kompas op hol slaat.” Dit was zo’n tien jaar geleden diametraal anders. De nu gepubliceerde traumatische bevindingen in de context van organisatieperspectief ontbraken in de voorgaande decennia zelfs volledig; aldus sprekend vanuit eigen ervaring, vanaf de laatste decennia van de vorige eeuw plus vanuit contacten in het politienetwerk en opgedane kennis uit vakliteratuur.
Met het ‘moreel werken’ is de individuele politiemedewerker al decennialang volop vertrouwd vanuit het doorlopend leertraject ‘morele weerbaarheid’ en het is dus als zodanig niet iets nieuws of onbekends. Opvallend anders blijkt de organisatiecontext van nu vergeleken met zo’n tien jaar terug vanuit de publicatie Een onderzoek naar de morele weerbaarheid van Nederlandse politiefunctionarissen (Gabriël van den Brink e.a., 2015). Destijds bleek zelfs dat het toepassen van geweld door de Nederlandse politie relatief uitzonderlijk was. Het gebeurde meestal in specifieke situaties en vooral wanneer alle andere middelen waren uitgeput. De breed gedragen consensus binnen de politie was altijd dat geweld alleen mag worden gebruikt als het echt niet anders kan.
Eventueel wangedrag, zoals het slaan van een verdachte die al geboeid is, wees iedereen van de hand. De samenvattende lering van destijds was dan ook dat het vermogen om moreel te denken en te handelen bij de Nederlandse politie in beginsel nog sterk ontwikkeld was. Verreweg de meeste agenten zijn gevoelig voor de vraag of hun optreden in moreel opzicht deugt. Ze laten zich daarbij niet zozeer leiden door formele regels en zijn vooral gericht op de concrete situatie. Ze bieden burgers graag de helpende hand en zijn terughoudend met het gebruik van dwangmiddelen. Een expliciet feit daarbij was dat destijds vrijwel niemand zich tijdens de onderzoek-gesprekken cynisch uitliet over de organisatiecontext.
De organisatorische oorzaak van waaruit de uitnodiging tot ‘moreel leren’ zich nu aandient, werd in Gezond Verstand reeds eerder geduid vanuit de falende en desastreuze reorganisatie van de politie in het laatste decennium naar één korps: de Nationale Politie. Nu functionerend als een hiërarchisch aangestuurd log bedrijfsmatig georganiseerd machtsblok, onder politiek bewind van Justitie en Veiligheid, vergelijkbaar met de situatie tijdens de Duitse bezetting onder SS-bewind – zie Gezond Verstand nummers 43, 56, 71, 79, 114 en 121.
Daarnaast werden de missers in de huidige politieorganisatie juist ook de laatste jaren nadrukkelijk belicht in publicaties afkomstig van binnenuit de politie zelf. Daarover liet voornoemde Jaco van Hoorn zich regelmatig horen, met contentieus onderbouwde kritiek. Zoals in 2023 nog, met de publicatie van het lijvige boekwerk Onze politie in een kwetsbare rechtsstaat, over de dominantie van de “politiek-gedreven bedrijfsmatige aansturing van de politieorganisatie”. Aan dit onderwerp gelieerd is hij als strategisch adviseur korpsleiding vanaf 2021 de aanjager van het ‘rijker verantwoorden’, als weerstand tegen het huidige te ver doorgeschoten politiesysteem van ‘kwantitatief verantwoorden’. Bij dit ‘rijker verantwoorden’ ligt de focus vooral op het maatschappelijke effect van een politieoptreden, waarbij verbeteren en leren centraal staat. Het gaat dan nadrukkelijk niet om producten, maar om diensten. Dienstverlening gaat over kwaliteit, houding, empathie, interesse in de ander en nagaan hoe de ander geholpen wil worden. Kortom: tot en met de politietop weet men donders goed wat nodig is om het goede te doen en te leren als organisatie. Van een daadwerkelijke wil daartoe is tot nu toe echter niets substantieels gebleken. De weerstandaanjager Jaco van Hoorn vertrekt inmiddels met pensioen.
Terugblikkend op besproken alarmbel-publicatie zit het venijn in de staart ervan, met de volgende treffende slot-uitspraak: “Regel morele last niet weg door het uitsluitend te zien als een psychische aandoening. Het is de kanarie in de kolenmijn; de alarmbel voor immorele praktijken – in het werk, in de samenleving én in de organisatie.”
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via