Skip to main content Scroll Top

Terugkeer naar leven en journalistiek van het verleden

Artikelen 137
Terugkeer naar leven en journalistiek van het verleden

Karel van Wolferen

“Japan is voor Japanners, niet voor buitenlanders!” Het is een vertrouwd beeld, de Japanse agitator van het extreemrechtse maar toch ongevaarlijke soort, op een podium bovenop zijn bus op plekken in Tokio waar hij op veel toehoorders hoopt te rekenen. Hier, buiten het Skyliner-station in Ueno, zou hij zijn hart moeten kunnen ophalen aan de drommen mensen die met hem hun eerste ervaring van deze ongelooflijke stad meemaken. Want het zijn bijna allemaal buitenlanders die uit de trein zijn gestapt, een deel van de massa die door de magneet van de yenkoers dit jaar koos om een lentevakantie in Japan door te brengen. Ze zijn hier alleen niet voor asiel gekomen. Met de dollar kan je nu 60% meer Japanse dingen en diensten kopen dan tien jaar geleden toen ik voor het laatst op deze zelfde plek arriveerde.

De buitenlanders hadden met de treinreis vanaf de luchthaven al iets specifiek Japans meegemaakt. Alles werkt alsof door een uurwerk aangedreven. Er is misschien geen andere samenleving waar het publieke leven zo tot in de puntjes protocollair is ingericht als die van Japan. Op sommige gebieden heeft dat grote voordelen, en hoeft het niet ten koste van het menselijke contact te gaan, wat onmiddellijk te merken is aan de dienstverlening bij loketten, in winkels en vooral restaurants. Japan is niet immuun gebleven voor generatieveranderingen, maar de behulpzaamheid en vriendelijkheid bij die contactpunten zijn onvoorwaardelijk en permanent.

Een groot deel van de in Ueno arriverende drommen buitenlanders begeeft zich naar de nabijgelegen wijk Asakusa waar ze worden gefotografeerd bij een van de mooiste tempelcomplexen in Japan. Ik heb de laatste decennia van mijn leven in Japan daar altijd in de buurt gewoond, aan de andere kant van de Sumidarivier, het oudste downtown-deel dat op 9-10 maart 1945 door vuurbombardementen – met honderdduizenden doden en een miljoen daklozen de meest omvangrijke in de geschiedenis – letterlijk met de grond gelijk werd gemaakt.

In Asakusa is een nieuwe industrie voor toeristen ontstaan sinds ik daar voor het laatst was. Buitenlanders met fysieke kenmerken die niets gemeen hebben met Japanse lichamen, worden daarbij in kimono’s gehesen om bij de Asakusa-tempel te worden gefotografeerd. Ik zag dat voor mijn ogen gebeuren met een Afrikaanse familie. Voor iets potsierlijkers zal je ver moeten zoeken. Maar het potsierlijke hoort net zo bij Japan als het sierlijke; kijk naar de jonge meisjes uitgedost alsof ze zojuist uit de pagina’s van een manga-stripverhaal zijn gestapt. En dan zijn er natuurlijk ook de ridicule mondmaskers, niet langer alleen de gewone eenvoudige witte met elastiekjes om de oren, maar die van technologisch superieure kwaliteit afkomstig uit de Covid-tijd. Aan die maskers zijn vaak de Japanners tussen de toeristendrommen te herkennen. Het is het enige dat bij de dienstverlening in restaurants een inbreuk doet op het menselijke ervan, maar vingers die ze soms even terzijde schuiven maakt dat weer goed.

Anders dan wat veel mensen denken is het dragen van mondmaskers in Japan geen permanente gewoonte geweest. In 1962, mijn eerste jaar hier, kwamen ze in de winter met verkoudheid en griep in treinen en metro’s tevoorschijn, om onder meer buitenlandse spotprenttekenaars te inspireren. Maar op een zekere dag publiceerde een aantal artsen artikelen en verschenen ze op de beeldbuis met de uitleg en waarschuwing dat met elke keer knikken en schudden van hun hoofd, maskerdragers in een trein meededen aan de verspreiding van infecties vanwege de ophoping van bacteriën achter de maskers. Na deze waarschuwingen waren er een jaar of twee nog nauwelijks mondmaskers te bespeuren.

Ze kwamen terug vanwege twee fenomenen die bekend zijn van economische theorieën. Het eerste was dat met die eerdere manie – dus voordat ertegen was gewaarschuwd – een soort mondmasker-industrieel complex was ontstaan. Teveel middelgrote bedrijven, met teveel werkplaatsen en al het andere dat bij een industrie komt kijken, was te veelomvattend geweest om op langere termijn te worden teruggedraaid. Het tweede fenomeen wordt ‘de Wet van Say’ genoemd: ruimschoots aanbod schept de vraag. De witte katoenen mondmaskers waren altijd aanwezig op al de stalletjes met kranten, tijdschriften, drank en snuisterijen op alle perrons van alle stations in het hele land, en op de meeste metrostations. De Wet van Say gaat over de propaganda door alomtegenwoordigheid.

Wat de fysieke aspecten van Tokio aangaat lijkt dezelfde stuwkracht van constructie, constructie en nog eens constructie nog altijd van kracht; en na de hier heel serieus genomen Covid-crisis is het met volle energie hervat. Stadsdelen die ik goed kende waren, zo zag ik op een nachtelijke autotocht, onherkenbaar geworden vanwege kolossale bouwsels tot hoog in de lucht die in de plaats waren gekomen van mij overbekende, neergehaalde gebouwen. Dit was niet meer mijn Tokio.

Wat mij vanzelfsprekend het meest interesseerde was een antwoord op de vraag wat er met Japan als wereldmacht is gebeurd. Tegen het einde van mijn boek The Enigma of Japanese Power benadruk ik het feit dat niettegenstaande het kolossale stempel dat Japanse industriële productie en uitvindingen op de wereld had gedrukt, Japan op geopolitiek en diplomatiek gebied geen onderdeel van die wereld was geworden. Het is ‘in the world, but not of it’. Een van mijn beste Japanse vrienden, een voormalig topdiplomaat en specialist op het gebied van Japans internationale relaties, vatte de situatie voor mij samen met de constatering dat er na het Amerikaanse presidentschap van Biden niets is veranderd. Japan gaat door alsof in de wereld alles bij hetzelfde is gebleven. Geen enkele diplomatie in de richting van Rusland bijvoorbeeld, alles vastgeroest hetzelfde. Inderdaad ‘in the world, but not of it’.

Ik was benieuwd of ik over dit soort dingen met oud-collega’s van de FCCJ (Foreign Correspondents Club of Japan) kon praten, en had vanuit Nederland al aangeboden om hen te vertellen over het redigeren van Gezond Verstand, en om de Europese mediacensuur te vergelijken met wat ik me daarover nog van de Japanse situatie herinner. Het organiseren van zo’n optreden had nogal wat voeten in de aarde. Een van de leden van het comité voor professionele activiteiten bracht te berde dat het niet de moeite waard zou zijn om naar een complotdenker te gaan luisteren. Gelukkig waren er nog net een aantal ouderwetse verslaggevers lid van de club om er een klassieke persconferentie van te maken. Vanaf het begin van die sessie (van het soort waarvan ik als president en penningmeester van de FCCJ, dozijnen had voorgezeten), voelde ik mij niet op mijn gemak. Ik zag geen Japanse collega’s in de zaal op wier begrip ik dacht te kunnen rekenen. Ik begreep ook dat mijn gehoor, indien in dienst van westerse redacties, waarschijnlijk gewend zou zijn om zich angstvallig aan de gangbare voorgeschreven werkelijkheid van hun kranten te houden. Er was maar één schrijver onder mijn gehoor die met zijn vraag over Anthony Fauci duidelijk maakte precies te weten waar ik het over had. De rest bevond zich op een te grote, niet meer overbrugbare informatie-afstand.

De persconferentie zou via YouTube de wereld in worden gestuurd, maar de eerste link die ik daarvoor ontving leverde een dag daarna al het bericht op dat het door de uploader was teruggetrokken. De verantwoordelijke commissie vond het nodig om, voor het eerst in haar bestaan, via een nieuwe link, duidelijk te maken dat deze conferentie “niet de visie van de FCCJ vertolkte”.

Nu heeft de FCCJ ooit maar één enkele makkelijk te verstane collectieve visie uitgedragen: die van persvrijheid. Het is altijd een club geweest van journalisten die er allerhande en soms tegengestelde privévisies op nahielden, en daarover met elkaar in de clinch konden liggen. Als club heeft het een ‘vrijheid van de pers’-comité en beloont het bevorderaars daarvan met een ‘vrijheid van de pers’-prijs.

Al wat jaren voor de Covid-periode had het FCCJ-bestuur de fout gemaakt om akkoord te gaan met een statusverandering waarbij het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het eerst sinds de Amerikaanse bezetting meer vat kreeg op de invloed van buitenlandse correspondenten in Japan. Dit was aan veel leden ongemerkt voorbijgegaan.

Ik kon goed begrijpen dat althans een deel van die ambtenarij waarmee ik eens veel contacten onderhield, bezwaar zou aantekenen tegen een aantal punten die ik tijdens mijn persconferentie had genoemd. In antwoord op een vraag over de NAVO had ik gezegd dat die organisatie geen geopolitieke rol van enige betekenis meer zou kunnen spelen na het einde van de Oekraïne-oorlog. Het toeval wilde dat veertig ambassadeurs van NAVO-lidstaten net in Tokio waren gearriveerd om met Japanse militaire specialisten samenwerking op defensiegebied te bespreken, ter voorbereiding op een gezamenlijke strijd tegen een niet genoemde maar wel begrepen gemeenschappelijke vijand.

De voorzitter van mijn persconferentie en degene die samen met nog een correspondent erop stond dat deze zou plaatsvinden, was Anthony Rowley, een van de weinige nog overgebleven ouderwetse verslaggevers. Ik kende hem nog uit de tijd toen hij deelnam aan de verslaggeving over Japan en Oost-Azië als een van de correspondenten van de Far Eastern Economic Review (FEER). Tot de vernietiging, in stadia – tussen 1987 en 1992 – door Dow Jones van dat journalistiek uitzonderlijke blad, was het een bron van onschatbaar veel kennis over Aziatische aangelegenheden geweest, met name die van ontwikkelingen achter de schermen. Ambassades in het gebied konden niet zonder de details die het elke week en in jaarboeken aanleverde. Ik heb veel met hun correspondenten samengewerkt in Korea, India, de Filipijnen, Thailand en Vietnam.

Sommige historici weten hoeveel kennisbronnen verloren zijn gegaan met het verdwijnen van de FEER.

De bekendste persclubs als thuisbasis van de meest ervaren correspondenten in Oost-Azië waren die van Hongkong en Tokio. Tot de statusverandering van de FCCJ (en een gedeeltelijk gedwongen verhuizing) had mijn oude club een van de beste en voor freelance journalisten betaalbare restaurants in de stad. Het was een verzamelpunt voor hoge ambtenaren en politici. Het ledental van de FCCJ is nu gedaald van ongeveer 2.200 naar 1.300. In een jaar of twee zal het verdwijnen tenzij het een financieel infuus weet te vinden, met onvermijdelijk nog grotere afhankelijkheid.

Dit droevige verhaal van journalistieke collegiale verbinding geeft een beeld van westerse journalistiek in het algemeen dat ‘once upon a time’ de integriteit kon handhaven en niet hoefde mee te bewegen met de zogenaamde narratieven, laat staan de voorgeschreven werkelijkheid, van de westerse wereld. Het is een verleden van wijdverspreide onafhankelijke verslaggeving die waarschijnlijk in mijn leven niet meer in een hernieuwde vorm zal terugkeren.

– einde artikel –

Volg ons op social media

Kijk en beluister Gezond Verstand via

Loading...
Privacybeleid
Wanneer u onze website bezoekt, dan kan deze informatie via je browser opslaan voor specifieke services, meestal in de vorm van cookies. Hieronder kunt je je privacyvoorkeuren wijzigen. Houd er rekening mee dat het blokkeren van cookies van invloed kan zijn op je ervaring op onze website en de diensten die we aanbieden.