Jeroen van den Berg
Het wordt nog duidelijker in het interview van Pasquino met Elena Danaan. Haar buitengewone beweringen – waaronder een buitenaards neuraal implantaat, reizen in ruimteschepen en contacten met buitenaardse wezens – worden uitgebreid besproken, zonder dat eerst overtuigend wordt vastgesteld of deze claims feitelijk kloppen. Daarmee volgt hij juist die voorgeschreven werkelijkheid die ons is aangereikt door Pentagonfunctionarissen, (voormalige) medewerkers van inlichtingendiensten en andere vertegenwoordigers van precies die instituties die enkele jaren geleden nog met groot wantrouwen werden benaderd. De echte waarheidsvinding moet daarom beginnen bij de vraag of het UFO-narratief zelf een onderdeel is van langdurig perceptiemanagement.
In de Verenigde Staten staat het UFO-dossier momenteel nadrukkelijk in de belangstelling. De druk op president Trump om tot verdere onthullingen over UFO’s over te gaan, wordt daarbij steeds groter. Voormalig inlichtingenofficier en klokkenluider David Grusch heeft Trump rechtstreeks opgeroepen om in actie te komen, terwijl ook andere voormalige overheidsfunctionarissen zich bij deze oproep hebben aangesloten. Daarnaast probeert miljardair en Trump-donor Robert Bigelow de Amerikaanse president ervan te overtuigen publiekelijk te erkennen dat er sprake zou zijn van een niet-menselijke intelligente aanwezigheid. Voorstanders proberen Trump zelfs voor de tussentijdse verkiezingen van 3 november tot een dergelijke verklaring te bewegen.
Het jaar 1947 vormde een belangrijk kantelpunt in de moderne UFO-cultuur. Kort na de eerste golf van meldingen en het incident bij Roswell, in de Amerikaanse staat New Mexico, begon de luchtmacht het verschijnsel te ‘onderzoeken’. In 1948 ontstond Project Sign, dat al een jaar later werd opgevolgd door Project Grudge en vanaf 1952 door het veel bekendere Project Blue Book. Officieel moesten deze programma’s vaststellen wat achter de duizenden waarnemingen zat en of er een bedreiging voor de nationale veiligheid bestond. Er ontwikkelde zich echter een heel andere benadering: veel meldingen werden publiekelijk teruggebracht tot ballonnen, vliegtuigen, of natuurlijke verschijnselen, terwijl militaire en inlichtingenkringen achter de schermen grote belangstelling hielden voor UFO’s als mogelijke dekmantel voor geheime technologie en als instrument voor psychologische oorlogsvoering, zo blijkt uit het CIA-memorandum Flying Saucers (1952) van directeur Walter Bedell Smith aan de Psychological Strategy Board. Daarmee ontstond al vroeg de karakteristieke combinatie van: onderzoeken, ontkennen en tegelijkertijd het narratief voeden en benutten.
Hierdoor ontstond er een opmerkelijke feedback-lus, waarin officiële ontkenning én het gelijktijdig stimuleren van speculatie elkaar juist versterkten. Onderzoekers kregen ‘informatie’ over neergestorte ruimteschepen, buitenaardse lichamen en geheime projecten, waarna deze verhalen via boeken, tijdschriften en televisie een steeds groter publiek bereikten. Hollywood stimuleerde dit proces verder; elementen uit de UFO-wereld werden verwerkt in films en series, waarna deze culturele beelden weer bepaalden hoe nieuwe getuigen onbekende verschijnselen interpreteerden. Zo ontstond een zichzelf versterkend systeem: een ‘waarneming’ leidde tot speculatie, intelligencekringen voegden desinformatie toe, UFO-onderzoekers verspreidden het verhaal, populaire media en Hollywood maakten het onderdeel van de collectieve verbeelding en nieuwe waarnemingen werden vervolgens binnen datzelfde kader uitgelegd. De officiële ontkenning kon het geloofwaardiger maken: hoe nadrukkelijker de overheid beweerde dat er niets aan de hand was, hoe sterker binnen de UFO-gemeenschap de overtuiging werd dat er iets verborgen werd gehouden. Het resulteerde in een bijzonder effectieve vorm van perceptiemanagement, waarbij overheid en inlichtingendiensten ogenschijnlijk tegenover de UFO-gemeenschap stonden, terwijl zij tegelijkertijd de informatie leverden waarmee die gemeenschap haar eigen werkelijkheid opbouwde.
Een opvallende verandering in het UFO-dossier vond plaats tussen 2017 en 2019. Waar Amerikaanse overheidsinstanties het onderwerp formeel decennialang hadden geridiculiseerd, ontkend of naar de achtergrond hadden geschoven, kwam er ineens een tegenovergestelde beweging op gang. Pentagonbeelden van onbekende objecten bereikten de media, voormalige militairen en intelligencefunctionarissen traden naar buiten en organisaties als To the Stars Academy brachten mensen uit Defensie, de inlichtingenwereld en UFO-onderzoek bij elkaar. Vanaf 2019 kreeg het onderwerp ook steeds nadrukkelijker politieke legitimiteit in Washington.
Deze omslag kwam echter niet zomaar. Een vergelijkbare dynamiek was namelijk zichtbaar rond de protestgeneratie en de counterculture van de jaren zestig. De overeenkomst met het UFO-verhaal van nu zit in het mechanisme dat de maatschappelijke beweging door de geheime diensten werd bestudeerd, geïnfiltreerd, versterkt en in bepaalde richtingen werd geduwd. Wat zich presenteerde als een spontane bevrijding van de gevestigde orde was tegelijkertijd een omgeving waarin nieuwe vormen van sociale en psychologische beïnvloeding werden beproefd. De studentenprotesten, de hippiebeweging en de bredere tegencultuur van de jaren zestig stonden in het teken van het afwerpen van bestaande conventies. Traditionele gezagsverhoudingen, het klassieke gezin, seksuele moraal, religieuze normen en maatschappelijke instituties werden ter discussie gesteld; vrijheid en individuele zelfontplooiing kwamen daar tegenover te staan. Het was een generatie die zich nadrukkelijk wilde losmaken van de wereld van haar ouders en daarbij ook experimenteerde met alternatieve leefvormen, drugs en nieuwe vormen van spiritualiteit. De Amerikaanse overheids- en inlichtingendiensten hadden grote belangstelling voor deze nieuwe sociale en psychologische ontwikkelingen. Programma’s als MK-Ultra laten zien dat de CIA in dezelfde periode experimenteerde met psychedelica, gedragsbeïnvloeding en technieken om menselijke perceptie en bewustzijn te manipuleren. Het functioneerde als een laboratorium voor social engineering.
Al in de jaren negentig had Laurance Rockefeller, telg uit de invloedrijke Rockefellerfamilie, aan de regering-Clinton gevraagd een traject van officiële UFO-onthullingen te faciliteren. Rockefeller financierde het onderzoek, waarmee het vraagstuk vanuit de marge naar bestuurlijke en intellectuele kringen werd gebracht. De betekenis hiervan zit in het patroon: het werd niet van onderaf afgedwongen door kritische burgers, maar juist gedurende tientallen jaren gestimuleerd vanuit zeer invloedrijke politieke, financiële en intelligence-netwerken. Er is daardoor sprake van een gecontroleerde verschuiving in de publieke perceptie, waarbij het volk stap voor stap vertrouwd wordt gemaakt met een verhaal dat vanuit diezelfde machtskringen is vormgegeven. Hierbij past ook de klassieke desinformatietechniek van ‘poisoning the well’: informatie wordt bewust vermengd met spectaculaire, onbewezen of aantoonbaar onware verhalen, waardoor uiteindelijk het gehele onderzoeksgebied besmet raakt.
Het Roswell-incident van 1947 laat goed zien hoe een onduidelijke gebeurtenis door de jaren heen kon uitgroeien tot een steeds omvangrijker UFO-dossier. Nadat bij Roswell materiaal was gevonden en het leger aanvankelijk zelf over een geborgen ‘flying disc’ had gesproken, verdween de affaire lange tijd grotendeels uit de belangstelling. Pas vanaf 1978 werd Roswell opnieuw groot gemaakt, onder meer door het tijdschrift National Enquirer en de verklaringen van voormalig militair Jesse Marcel. Vervolgens verschenen steeds spectaculairdere verhalen, waarbij ook personen met verbindingen naar militaire en inlichtingenkringen een opvallende rol speelden. De zogenaamde Majestic-12-documents moesten bijvoorbeeld aantonen dat president Truman een geheime organisatie had opgericht voor het beheer van buitenaardse technologie, maar onderzoek liet zien dat deze documenten vervalst waren.
De beroemde alien-autopsiefilm uit 1995 werd later als bedrog ontmaskerd; Spyros Melaris verklaarde dat hij de beelden zelf had vervaardigd met behulp van rekwisieten en dierlijke organen. Nog onthullender is de zaak van Paul Bennewitz, een technisch onderlegde defensiecontractant die vreemde activiteiten rond Kirtland Air Force Base waarnam. Via Air Force-intelligenceagent Richard Doty en UFO-onderzoeker William Moore kreeg hij vervolgens verhalen aangereikt over aliens, ondergrondse bases en geheime samenwerking tussen buitenaardse wezens en de Amerikaanse regering. Moore erkende in 1989 publiekelijk dat hij met intelligencecontacten had samengewerkt en desinformatie had doorgegeven. In het FBI-dossier hierover staat de term ‘bogus’ (flauwekul).
Carl Jung speelde een belangrijke rol in de psychologische interpretatie van het UFO-fenomeen. In zijn boek Flying Saucers: A Modern Myth of Things Seen in the Skies uit 1958 beschreef hij vliegende schotels als een moderne fabel, die onder omstandigheden van maatschappelijke onzekerheid kon ontstaan. In een tijd waarin traditionele zekerheden aan betekenis verloren en de Koude Oorlog en de atoombom grote existentiële angst veroorzaakten, konden buitenaardse bezoekers volgens deze benadering een psychologische functie krijgen die vroeger door bovennatuurlijke verschijnselen werd vervuld.
Schrijver H.G. Wells, bekend lid van de Fabian Society, zie GV #139, speelde een kolossale rol in de vorming van het moderne beeld van buitenaardse wezens. In zijn sciencefictionverhalen beschreef hij vanuit een evolutionaire gedachte hoe een verder ontwikkeld intelligent wezen eruit zou kunnen zien: een groot hoofd en brein, grote ogen en een klein, lichamelijk zwak lichaam. Via boeken, radio, tijdschriften en Hollywood werd dit archetype steeds opnieuw gereproduceerd en raakte in het collectieve bewustzijn genesteld. Fictie maakt ideeën voorstelbaar voordat ze als werkelijkheid worden gepresenteerd: buitenaardse bezoekers, superieure technologie, geheime overheidsprogramma’s en een externe dreiging voor de gehele mensheid worden door voortdurende herhaling onderdeel van het collectieve referentiekader. De psychologische operatie bestaat uit het leveren van dit interpretatiestelsel: het publiek denkt zelf conclusies te trekken, maar doet dat binnen een ‘realiteit’ waarvan de belangrijkste beelden en mogelijkheden vooraf cultureel zijn ingeplant.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via