Bertus Bolcnak
De enige vraag die er werkelijk toe doet, namelijk wie er belang bij heeft dat dit zo blijft, wordt door niemand in subsidie-gefinancierd Nederland gesteld.
Nederland heeft in de afgelopen twee decennia een complete industrie opgebouwd rondom het identificeren, benoemen en managen van ‘kwetsbaarheid’. Het is een sector die groeit op georganiseerde nood. Die industrie bestaat uit universiteiten met diversiteitsafdelingen, antidiscriminatiebureaus, welzijnsorganisaties, activistische ngo’s en een uitdijende jeugdzorgsector, en ze wordt vrijwel volledig gefinancierd met ons belastinggeld.
Het heeft een enorme omvang. Voor de periode 2021 tot en met 2025 kenden de kabinetten via het programma ‘Versterking Maatschappelijk Middenveld’ in totaal € 1,47 miljard toe aan een kleine vijftig ngo’s. Tussen 2021 en 2023 ontving de ngo-sector in Europa € 7,4 miljard aan EU-gelden, en de Europese Rekenkamer in een speciaal verslag uit 2025 concludeerde dat er “nog steeds geen betrouwbaar overzicht bestaat van wie dat geld precies ontvangt en waarvoor het wordt gebruikt”. Een sector die voor een derde van zijn inkomsten afhankelijk is van de overheid en voor een kwart van de nationale loterijen (aldus onderzoek van de Radboud Universiteit) is geen onafhankelijk maatschappelijk middenveld. Het is de gesubsidieerde uitvoeringsarm van een overheidsagenda.
Diezelfde logica geldt ook voor de universitaire diversiteitsbureaucratie. Vrijwel elke Nederlandse universiteit heeft inmiddels een of meerdere ‘Diversity Officers’ in dienst. Het NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) reserveerde € 12,5 miljoen voor een speciaal stimuleringsprogramma voor onderzoekers met een niet-westerse achtergrond. De universiteit van Utrecht bestemt jaarlijks € 50.000 specifiek voor ‘diversiteits- en inclusieprojecten’. De gemeente Amsterdam bekostigt – via de ‘Subsidieregeling Allianties Inclusiviteit en Antidiscriminatie’ – een netwerk van maatschappelijke organisaties die structureel worden betaald om discriminatie te documenteren en te bestrijden.
Dit zijn geen kwaadaardige mensen of organisaties. Maar het zijn wel mensen en organisaties die institutioneel afhankelijk zijn van het voortbestaan van het probleem dat zij beweren op te willen lossen. Een antidiscriminatie-bureaucratie die haar eigen doelstelling succesvol bereikt, maakt zichzelf overbodig. Geen enkele institutie lost blijkbaar het veronderstelde probleem op waarvoor het is opgezet, want dan zouden ze inmiddels niet meer bestaan.
Het mechanisme is daarmee identiek aan elk ander verdienmodel: de vraag naar het product moet worden onderhouden. In dit geval is het product niet een oplossing, maar een diagnose. De klant is niet degene die zijn probleem kwijtraakt, maar degene die leert zijn/haar situatie te beschouwen als een probleem veroorzaakt door externe krachten, dat alleen op te lossen is door externe instanties.
De consequenties reiken verder dan de subsidiestromen. Ze zijn zichtbaar in de manier waarop een hele generatie is grootgebracht. In het onderwijs is een cultuur ontstaan waarin het accent steeds verder is verschoven van presteren naar beschermen. De school leert je kwetsbaarheid, in plaats van weerbaarheid. Dat uit zich niet alleen in een pedagogische houding – meer begrip voor onvermogen, meer tolerantie voor mislukking – maar ook in concrete aanpassingen die de lat wat lager leggen. Wiskunde op de havo daalde in 2025 qua gemiddeld eindcijfer op alle niveaus, behalve bij de vmbo. De kernvakken Nederlands en Wiskunde lieten op meerdere niveaus dalingen zien die het Cito en het College voor Toetsen en Examens ertoe dwongen de normering aan te passen, de zogenaamde N-term, om te voorkomen dat de slagingspercentages te ver zouden dalen. In feite past het systeem zich aan de afnemende prestaties van leerlingen aan, in plaats van andersom.
Tegelijk is in datzelfde onderwijs een uitgebreide vocabulaire geïntroduceerd rondom de begrippen ‘identiteit’, ‘privilege’, ‘structureel onrecht’ en ‘systemische uitsluiting’. Leerlingen leren niet primair dat zij de makers zijn van hun eigen toekomst. Ze leren dat hun kansen worden bepaald door de groep waartoe ze behoren en de historische ongelijkheid die hun groep tot op dat moment heeft ervaren. Dat is geen bevrijdende boodschap. Het is een cursus in onmacht.
Psychologen meten al decennialang de zogenaamde ‘locus of control’ (beheersingsoriëntatie), oftewel de mate waarin mensen geloven dat ze zelf bepalend zijn voor wat hen overkomt. Uit consistent onderzoek blijkt dat mensen met een interne locus of control weerbaarder zijn, mentaal gezonder en beter in staat om tegenslagen te verwerken, dan mensen die externe krachten als bepalend ervaren.
Deze locus of control wordt niet meer onderwezen. De identiteitspolitieke opvoeding in de scholen, in de media, in het taalgebruik van subsidieaanvragen en welzijnsinstellingen, leert het omgekeerde: het verkeerde zit buiten jou, in de structuren, in het systeem, in anderen. Jij bent het product van machten die jou niet toebehoren en die jij niet onder controle hebt.
Dat deze boodschap institutioneel wordt gefinancierd en breed verspreid, terwijl de mentale gezondheid van jongeren jaar na jaar verslechtert, is geen toeval en zeker geen bijkomstigheid. Het is de meest ongemakkelijke hypothese die in het Nederlandse debat bestaat, namelijk dat de infrastructuur van de kwetsbaarheid zelf bijdraagt aan de kwetsbaarheid die zij beweert te bestrijden.
Het CBS-rapport Landelijke Jeugdmonitor 2025 laat zien dat het welzijn van jongvolwassenen in 2024 nog steeds lager lag dan het pre-coronaniveau van 2019, dus vijf jaar na het einde van de gefabriceerde crisis, met meer professionele ondersteuning dan ooit. Die kloof sluit zich niet. De jeugdzorgsector groeit; de mentale gezondheid verbetert niet.
Het onafhankelijke internetmagazine Wynia’s Week documenteerde al eerder hoe deze structuur concreet werkt, bijvoorbeeld bij de organisatie ‘Both ENDS’, opgericht met steun van ambtenaren van het ministerie van VROM, van meet af aan vrijwel volledig afhankelijk van overheidsgelden. Both ENDS was in staat om via internationale verbanden de eigen subsidiestroom voor jaren veilig te stellen door de doelstellingen van het ministerie van VROM te omarmen als hun eigen missie. Het is een subsidiefuik die zichzelf in stand houdt. Een bijzonderheid daarbij is de ‘verandertheorie’ die dergelijke organisaties bij het ministerie moeten onderschrijven om subsidie te kunnen ontvangen. Het vertoont opmerkelijke overeenkomsten met de strategie die dezelfde organisaties voor zichzelf hebben vastgesteld. Zowel de overheid als de ngo’s bepalen de agenda; ze zijn elkaars spiegelbeeld geworden.
Dit patroon is niet beperkt tot één organisatie; het is structureel. Zoals de Europese Rekenkamer vaststelde: er bestaat binnen de EU geen eenduidige definitie van wat een ngo is. Organisaties mogen zichzelf als zodanig registreren zonder onafhankelijkheidstoets, en een deel van de onderzochte instellingen bleek een bestuur te hebben dat volledig uit regeringsvertegenwoordigers bestond, maar desondanks als ‘onafhankelijk’ werd aangemerkt en als zodanig werd gesubsidieerd.
Een samenleving die haar burgers serieus neemt, doet twee dingen die in de huidige bestuurscultuur als tegenstrijdig worden beschouwd, maar dat niet zijn. Ze erkent reëel onrecht waar dat bestaat, en weigert haar burgers te reduceren tot slachtoffers van dat onrecht.
Een gezonde samenleving biedt hulp waar hulp nodig is, gaat er tegelijkertijd vanuit dat tegenslag geen bewijs is van onterecht ontvangen hulp en dat mislukking geen acceptabele eindbestemming is. Ze bouwt geen infrastructuur die mensen beloont voor het articuleren van hun kwetsbaarheid, maar een die mensen toerust om hun eigen leven te kunnen leiden.
De feiten liggen op tafel. Een op de negen jongeren in de jeugdzorg. Een generatie die slechter scoort op kernvakken dan tien jaar geleden. Een uitdijende sector van organisaties die van overheidsgeld leven en wier voortbestaan afhankelijk is van het voortbestaan van het probleem dat ze beweren te willen oplossen. En een politieke en academische klasse die deze infrastructuur heeft gebouwd en die de meest voor de hand liggende vraag niet stelt: wat als de voortdurende nadruk op kwetsbaarheid, slachtofferschap en structurele onmacht zelf de oorzaak is van een deel van het probleem. Die vraag past niet in een subsidieaanvraag, en waar ze wel in past, namelijk in een eerlijk debat, is iets dat niet plaatsvindt. We hebben te maken met een op georganiseerde onmacht gebouwde industrie, en het verdwijnen van welke industrie dan ook, betekent banenverlies.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via