Eric Lopes Cardozo
Het NNI komt net als de Britse obsessie met het beteugelen van Rusland niet uit de lucht vallen. Het is onderdeel van de in 2014 onder Brits leiderschap opgerichte Joint Expeditionary Force (JEF) die sinds 2018 volledig operationeel is. Het JEF is een militaire coalitie van de bovengenoemde landen die naar eigen zeggen is opgericht omdat moderne veiligheidsdreigingen, van cyberaanvallen en migratie tot klimaatverandering en staatsonveiligheid, een flexibele, gezamenlijke respons vereisen. De reikwijdte van het JEF gaat daarmee veel verder dan een louter militaire aangelegenheid. Het stelt dat bijzondere aandacht uitgaat naar de informatieoorlog waarbij snel en geloofwaardig communiceren een strategische prioriteit is. De kracht van het JEF bestaat uit eenheden met hoge paraatheid die snel kunnen reageren op crises, zowel zelfstandig als onderdeel van grotere operaties onder leiding van de NAVO, de VN of andere coalities. Het geografische kerngebied omvat het Hoge Noorden, de Noord-Atlantische Oceaan en de Oostzee.
In de strijd tegen Napoleon was Rusland nog een bondgenoot. Voordien was Frankrijk de traditionele Britse vijand. Na de val van Napoleon in 1815 groeide de Russische expansiedrang richting het Ottomaanse Rijk (Zwarte Zee, Straat van Constantinopel). Groot-Brittannië zag dit als een bedreiging voor zijn handelsroutes naar India en de machtsbalans in Europa. De Krimoorlog (1853–1856) markeerde een keerpunt. Groot-Brittannië en Frankrijk sloten zich aan bij het Ottomaanse Rijk en verklaarden Rusland de oorlog. Dit was de eerste grote Europese oorlog waarin Rusland de gezamenlijke vijand was. Vanaf de Krimoorlog werd Rusland Engelands permanente strategische tegenstander, een vijandschap die twee eeuwen later nog altijd het Britse buitenlandbeleid bepaalt. Het JEF is daarom geen toevallige of gelegenheids-samenwerking, maar een moderne uitwerking van negentiende-eeuwse buffer- en containment-logica.
Opvallend is dat vier van de vijf monarchieën binnen het JEF (Verenigd Koninkrijk, Nederland, Noorwegen, Zweden en Denemarken) precies die staten zijn die in de negentiende en vroege twintigste eeuw als ‘verzonnen’ of ingrijpend hervormde constitutionele monarchieën werden gecreëerd. De belofte van een constitutionele monarchie is het combineren van stabiliteit en continuïteit (via een monarch) met democratische controle en rechtsstatelijkheid (via een grondwet). Het staatshoofd staat boven de politieke partijen en fungeert als symbool van eenheid, terwijl de werkelijke politieke macht bij een gekozen parlement en regering ligt. Wie zich echter verdiept in de totstandkoming van de moderne vorstenhuizen zal zien dat het hier vooral gaat om stabiliteit en continuïteit in termen van kredietwaardigheid, schuldbetalingen en voorspelbaarheid voor bankiers en grootmachten. De kroon diende daarbij ter verschaffing van internationale legitimiteit. Stabiliteit dient daarbij niet primair het volk, maar de continuïteit van schulden, verdragen en geopolitieke structuren. Vandaag de dag leveren deze staten dezelfde dienst: betrouwbare, voorspelbare partners in een Britsgeleide anti-Russische alliantie die een reeds twee eeuwen durende geopolitieke continuïteit waarborgt.
Nederland is hier een uitgelezen voorbeeld van. Nederland is namelijk geen zelfstandig koninkrijk dat zijn eigen lot bepaalt, maar een in 1815 extern geconstrueerde bufferstaat met een structurele financiële afhankelijkheid die tot op heden voortduurt. Voor die tijd bestond Nederland niet als eenheidsstaat, maar als confederatie, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een verbond van grotendeels onafhankelijke provincies die slechts op enkele cruciale gebieden (defensie, buitenlandse politiek) gezamenlijk optraden. Na de val van Napoleon besloten de grootmachten Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk en Pruisen op het Congres van Wenen het Koninkrijk der Nederlanden op te richten. Het nieuwe koninkrijk moest dienen als buffer tegen nieuwe Franse expansiedrang. De soevereiniteit lag daarmee niet bij de Nederlandse bevolking, maar bij de onderhandelaars in Wenen, Londen en Sint-Petersburg. Willem I kwam niet op de troon middels volkssteun, maar als onderdeel van een geopolitieke transactie.
Vanaf de eerste dag werd het koninkrijk opgezadeld met een enorme staatsschuld, historisch geschat op rond de 1,7 miljard gulden. Met vijf miljoen inwoners ging ongeveer de helft van het nationale inkomen naar rentelasten. Dit maakte de staat onmiddellijk afhankelijk van internationale bankiers die krediet konden verlenen of intrekken, afhankelijk van hoe ‘verantwoordelijk’ een regering zich gedroeg. Nederland fungeerde daarmee van meet af aan als schuldkolonie met een koninklijk masker.
De financiële architectuur achter moderne staten, waaronder ook Nederland, loopt terug naar het Venetië van de twaalfde eeuw, dat reeds staatsschulden verhandelde en aan de basis stond van de hedendaagse wijze van boekhouden. Via Genua, Florence en Antwerpen kwam dit systeem naar Amsterdam. De Amsterdamsche Wisselbank van 1609 was dan ook geen puur Nederlandse uitvinding, maar erfgoed van de Italiaanse handelsstaten die noordwaarts trokken toen het politieke klimaat in het zuiden ongunstiger werd. Het principe bleef hetzelfde: wie de schuld financiert, bepaalt de speelruimte van de soeverein.
In 1694 volgde de oprichting van de Bank of England in de City of London, expliciet bedoeld om oorlogen te financieren. Het betrof wat nu te boek staat als de Negenjarige Oorlog (1688–1697) tegen Frankrijk. Het verkregen kapitaal werd vooral gebruikt voor de opbouw van de marine. Deze wijze van financiering werd in de negentiende eeuw geperfectioneerd door bankiershuizen die tegelijkertijd meerdere Europese staten financierden, inclusief het Koninkrijk der Nederlanden.
Het huis Saksen-Coburg en Gotha was hierbij de ultieme leverancier. Leopold I van België (1830) werd koning dankzij nauwe banden met vooraanstaande bankiersfamilies. Vergelijkbare patronen zijn te vinden in: de Bernadotte-dynastie in Zweden (1818, een Franse maarschalk), de installatie van een Deense prins in Noorwegen (1905), en de hervorming van de Oranjedynastie in het nieuwe koninkrijk van 1815. Deze vorsten waren geen superieure staatslieden, maar doorgaans middelmatige, opportunistische adel uit kleine Duitse hertogdommen zonder eigen machtsbasis. Hun ‘succes’ bestond uit het leveren van een neutraal symbool dat boven de partijen stond, schuldeisers geruststelde en grote mogendheden tevreden hield. Het idee dat de gekozen vorsten stelselmatig geopolitieke wonderkinderen waren is historisch onhoudbaar. Zij werden juist gekozen omdat ze veilige, afhankelijke figuren waren en niet omdat zij uit zichzelf stabiliteit brachten.
Willem-Alexander illustreert dit. Zijn enige opvallende uitspraak tijdens de coronacrisis (“niet normaal maken wat niet normaal is”) werd al snel weer gevolgd door handelen conform internationale narratieven. Vergelijkbare patronen zien we bij Charles III (klimaat, global governance, digitale identiteit) en andere ceremoniële vorsten: ze zijn geen machthebbers, maar nuttige symbolen in een groter systeem.
De beginconditie van 1815 biedt een verklaring waarom het Nederlandse bestuur zo bijzonder ontvankelijk is voor externe prikkels. Het heeft een cultureel bepaalde reflex gecreëerd, bestaande uit het afbetalen van schulden, het nakomen van verdragen, een onvoorwaardelijke steun aan instituties en de bereidheid om altijd verder te gaan dan nodig. Zo waren de door de Nederlandse regering ingestelde coronamaatregelen ingrijpender, economisch destructiever en duurden ze langer dan in de meeste vergelijkbare landen. Dit gaat verder dan protestantse deugdzaamheid of poldermentaliteit. Het is ook een gevolg van de ingebakken logica van een staat die vanaf zijn stichting afhankelijk was van het vertrouwen en de gewilligheid van externe financiers. De coronaperiode, het klimaatbeleid, ongelimiteerde immigratie, digitale identiteit, de onvoorwaardelijke steun aan Oekraïne en deelname aan het JEF en NNI tonen hoe ver deze reflex reikt.
Twee eeuwen nadat grootmachten en bankiers het Koninkrijk der Nederlanden construeerden, functioneert het land nog altijd als een betrouwbare speler in andermans strategische en financiële doelen. De monarchie is geen kernprobleem, maar thans een zichtbaar symbool van die structurele afhankelijkheid. Achter de kroon zitten de werkelijke factoren van continuïteit: centrale banken, de City of London, EU- en NAVO-structuren en private kapitaalstromen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via