Tjeu Lemmens
De 150 Nederlandse pensioenfondsen beheren tezamen een vermogen van € 1.700 miljard. Daarvan is bijna 30% gestald bij ABP. Met het ontzaglijke vermogen van € 533 miljard staat ABP op de derde plaats in de ranglijst van de grootste pensioenfondsen wereldwijd. Het beleggingsbeleid is exemplarisch voor de gang van zaken bij de Nederlandse pensioenfondsen. ABP presenteert zich als een nobel pensioenfonds dat zich via strenge selectie van beleggingssectoren inzet voor “een leefbare wereld, een duurzame economie en een rechtvaardige samenleving”. Daarbij dienen de Sustainable Development Goals (duurzame ontwikkelingsdoelen) als richtsnoer, vooral SDG 7: betaalbare en duurzame energie, SDG 13: klimaatactie en de SDG’s die biodiversiteit betreffen.
In verband met dit beleid doet ABP beleggingen van de hand in BP, Shell, TotalEnergies en andere producenten van fossiele brandstoffen, en ook van bedrijven die olie, gas en steenkool verstoken in fabricageprocessen. In 2023 werd voor € 9 miljard verkocht en in 2024 voor € 10 miljard. Bedrijven, waarin ABP absoluut niet wil beleggen omdat zij niet bijdragen aan het “duurzaam en verantwoord beleggingsbeleid” worden op een uitsluitingenlijst geplaatst, die halfjaarlijks wordt bijgewerkt. Daar horen bedrijven bij, waaronder Philips en Ahold, die niet binnen de ideologische denkkaders vallen.
De ‘fossiele’ aandelen zijn vooral ingewisseld voor beleggingen in bedrijven die energie opwekken met windturbines en zonnepanelen. Eind 2025 stond de ABP-teller van duurzame beleggingen op € 34 miljard. Het is allang duidelijk dat de energietransitie een complete mislukking is, maar ABP blijft investeren in deze slecht renderende bedrijven. Want met zijn duurzame beleggingsbeleid wil ABP “bijdragen aan een betere wereld zonder dat dit ten koste gaat van het beleggingsrendement en dus de toekomstige pensioenen”. Het is zonneklaar dat de ideologisch gedreven beleggingsmix ten koste gaat van het beleggingsrendement en dus nadelig uitwerkt voor de deelnemers.
De resultaten staan in schril contrast met de kosten. Over 2025 kostte het pensioenbeheer € 300 miljoen en het vermogensbeheer inclusief transactiekosten € 2,5 miljard. Al meerdere jaren op rij erkent ABP in jaarverslagen dat “de kosten voor vermogensbeheer relatief hoog zijn”. De kosten zijn hoog omdat gekozen is voor een actief beleggingsbeleid – wanneer de prijs van effecten gunstig lijkt wordt aangekocht en als ze niet aan de verwachtingen voldoen wordt verkocht. Dat is een vorm van voorspellen die identiek is aan het leggen van tarotkaarten en tot uiting komt in de beleggingsresultaten. Niet alleen 2025 moest met een negatief rendement afsluiten, dat gold ook de vier jaar daarvoor. Als jaar op jaar beleggingsresultaten belabberd zijn, kan dat geen toeval zijn. “Is het beroerd beleggen?”, vraagt Lex Hoogduin, emeritus hoogleraar economie en voormalig DNB-topman, zich af, “Vindt men andere zaken dan het rendement belangrijker?” Hij is van mening dat De Nederlandsche Bank (DNB), als toezichthouder, de oorzaken van de negatieve rendementen moet onderzoeken.
In 2025 telde ABP 3,2 miljoen deelnemers bestaande uit drie groepen. De grootste bestaat uit 1,3 miljoen werknemers in loondienst bij (semi-)overheidsinstellingen. Deze actieve deelnemers dragen pensioenpremie af, in 2025 gezamenlijk € 17 miljard. 1,1 miljoen deelnemers zijn gepensioneerden die een uitkering ontvangen, en 0,8 miljoen deelnemers hebben ooit pensioen bij ABP opgebouwd en ontvangen een uitkering na pensionering. In 2025 werd € 18 miljard uitgekeerd aan gepensioneerden, dat is gemiddeld ruim € 16.000 per gepensioneerde, waarvan de fiscus een substantieel deel opeist. Verbinden we de totale premie-inleg van € 17 miljard met de totale kosten van bijna € 2,8 miljard, dan blijkt 16% van de premiebijdragen opgeslokt te worden door beheerkosten, dat is gemiddeld € 2.150 per actieve deelnemer.
Opvallend is dat de jaarlijkse pensioenenuitkeringen – € 18 miljard – vrijwel geheel bekostigd zouden kunnen worden uit de premie-inleg. Daarmee heeft de Nederlandse pensioenstructuur veel weg van het omslagstelsel dat in Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en veel andere EU-landen wordt gehanteerd. Bij het omslagstelsel worden de pensioenuitkeringen gefinancierd uit de lopende premiebijdragen van werknemers en zijn geen of beperkte pensioenpotten aangelegd. Dat het bedrag van de premiebijdragen en pensioenuitkeringen vrijwel hetzelfde is, betekent dat het ABP-pensioenvermogen van € 533 miljard euro een riante reserve vormt voor toekomstige pensioenenuitkeringen. En dat niet alleen.
In de afgelopen 22 jaar werden gedurende 15 jaar de pensioenuitkeringen niet of nauwelijks verhoogd ter compensatie van prijsstijgingen – er werd onvoldoende geïndexeerd. In 2013 werd zelfs gekort. In dezelfde periode steeg het belegd vermogen van € 168 miljard naar € 533 miljard. Dat zijn nominale bedragen die gecorrigeerd moeten worden voor de cumulatieve inflatie van 65% in dezelfde periode, wat resulteert in € 277 miljard in termen van gelijkblijvende koopkracht. Maar het pensioenvermogen van ABP is thans € 533 miljard, een verdubbeling in ruim twee decennia. Toch is men zuinig met het herstellen van indexatieachterstanden.
Volgens de overheid kunnen particulieren een jaarlijks rendement van 6% op hun aandelen, obligaties en onroerend goed behalen. Dat zijn dezelfde vermogenscategorieën waarin pensioenfondsen beleggen. Wanneer particulieren geacht worden dit rendement te behalen, waarom zouden pensioenfondsen, die duurbetaalde financieel adviseurs inhuren voor het actief beheren van hun portefeuille, dan negatieve rendementen mogen presenteren? Nemen we de 6%-norm als uitgangspunt, dan kan het ABP met € 533 miljard aan vermogen een jaarlijks rendement van ruim € 30 miljard realiseren. Daarmee kunnen de pensioenuitkeringen van € 18 miljard ruimschoots worden betaald.
Dit roept de vraag op waarom 27% van het brutosalaris, na aftrek van de AOW-franchise, als premie aan het pensioenfonds moet worden afgedragen. (De AOW-franchise is het deel van het salaris – thans ca. € 20.000 – waarover geen pensioenpremie wordt afgedragen, omdat hierover na pensionering AOW ontvangen wordt.) De 27% pensioenbijdrage kan gehalveerd worden zonder toekomstige pensioenuitkeringen in gevaar te brengen. Ook roept het de vraag op waarom de achterstand in indexering, waardoor thans deelnemers kampen met 20% koopkrachtverlies, niet met onmiddellijke ingang en met terugwerkende kracht wordt hersteld.
Over het beroerde beleggingsresultaat wordt in het ABP-jaarverslag nauwelijks gerept. Wel klinkt enig trompetgeschal over de stijging van de dekkingsgraad van 111,7% aan het begin van het jaar naar 123,5% aan het eind. Die stijging kan het ABP-bestuur niet op eigen conto schrijven, want ze is het gevolg van de stijging van de rente waarvan de rekenrente is afgeleid die de hoogte van de dekkingsgraad bepaalt.
ABP heeft het pensioen- en vermogensbeheer uitbesteed aan Algemene Pensioen Groep (APG) die in 2008 als dochteronderneming door ABP werd opgericht om het vermogen professioneel te beheren. Dat het APG een professionele organisatie zou zijn, is niet te merken aan de beleggingsresultaten, maar wel aan de salarissen van de 3.707 werknemers. Om de beroerde rendementen te verklaren spreekt het APG-jaarverslag over “vertragingen in de rendementen door het gekozen beleid op verantwoord en duurzaam beleggen”. De APG-werknemers verdienen gemiddeld € 150.000 jaarlijks. De voorzitter incasseert een jaarinkomen van bijna € 750.000. Het hoofd van de afdeling vermogensbeheer tikt bijna € 1 miljoen aan. Hij wordt vervangen en ontvangt een vertrekpremie van ruim € 1 miljoen. Dat de professionaliteit van APG-werknemers veel te wensen overlaat, is inmiddels doorgedrongen tot het bestuur. Hun aantal wordt teruggebracht tot 2.500.
Terugkomend op het eerdergenoemde advies van Lex Hoogduin: Een door DNB uit te voeren onderzoek is onnodig. Wat gaande is, is kristalhelder. De roergangers zijn goedgebekte mensen voor wie het belang van de pensioendeelnemers ondergeschikt is aan andere belangen. Zij zijn niet geselecteerd wegens uitzonderlijke capaciteiten om de vermogens die zijn opgebouwd door de deelnemers optimaal te laten renderen. Hun specialisme bestaat vooral uit het misleiden van pensioendeelnemers om te verhullen dat hun gedwongen inleg wegsijpelt uit lek geschoten pensioenpotten. Daarvoor hebben zij een ondoorgrondelijk jargon ontwikkeld dat neerkomt op koeterwaals gebazel.
Wat vertel ik mijn medemens?
- De Nederlandse pensioenfondsen beleggen sinds het afgelopen decennium op basis van de Sustainable Development Goals.
- Het resultaat is een drastische daling van de beleggingsresultaten, terwijl de kosten relatief hoog zijn.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via
