Eric Lopes Cardozo
Ongeacht het aantal Kamerzetels zijn dit soort voorvallen in de Nederlandse parlementaire praktijk geen incidenten, maar een terugkerend patroon. Het patroon bestaat eruit dat de uitvoerende macht op strategische momenten een eigen interpretatie geeft aan Kamerwensen of deze gewoon naast zich neerlegt. Behalve door te verwijzen naar coalitieafspraken bedient de regering zich dan van meerdere soorten uitvluchten of geitenpaadjes. Voorbeelden hiervan zijn: creatieve begrotingstechnieken, inlegvelletjes en zich beroepen op “noodzakelijkheid voor de uitvoering”, “humanitaire noodzaak” en “internationale verplichtingen”. Tot slot beroept men zich op de niet-bindende status van moties. De rol van het parlement, dat wordt geacht het volk te vertegenwoordigen, wordt daarmee uitgehold. Dit raakt bijvoorbeeld het budgetrecht, het grondwettelijke recht van de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) om de rijksbegroting goed of af te keuren. Het parlement bepaalt hiermee zowel de hoogte als het doel van overheidsuitgaven. Bij een meerderheidsregering zal dat doorgaans niet op onoverkomelijke problemen stuiten. In het geval van een minderheidsregering is dat logischerwijs een ander verhaal.
In het Nederlandse bestel zijn moties een klassiek controle-instrument. Ze verwoorden een heersende opinie in het parlement of verzoeken de regering iets te doen of na te laten. Anders dan amendementen of wetten zijn moties echter niet bindend. Een minister kan een motie ontraden of de goedkeuring ervan overlaten aan de Kamer (‘oordeel Kamer’). Hoewel moties politiek zwaar wegen, hebben ze geen formele of juridische status. Conform de Grondwet is een minister niet gehouden een motie uit te voeren. Het uitgangspunt is dat de regering regeert en de Kamer controleert. Toch is er in de praktijk een ongeschreven norm ontstaan, die maakt dat aangenomen moties serieus moeten worden genomen, zeker wanneer deze door een ruime Kamermeerderheid worden gesteund.
Het recente UNRWA-dossier is daar een illustratief voorbeeld van. De Kamer stemde tegen, de regering besliste anders, met grote onvrede tot gevolg. In formele zin is er geen speld tussen te krijgen, omdat conform de wet is gehandeld. Als de regering een aangenomen motie niet uitvoert, dan kan de Tweede Kamer de minister ter verantwoording roepen via schriftelijke vragen, een debat, of door het indienen van een motie van afkeuring of van wantrouwen. Het niet uitvoeren van een motie heeft in de Nederlandse parlementaire geschiedenis overigens zelden geleid tot een direct aftreden van een minister of de val van een kabinet.
Wie de parlementaire geschiedenis van de laatste vijftien jaar beschouwt, ziet een herkenbaar patroon. Tijdens het demissionaire kabinet-Rutte IV (2021) uitte de oppositie openlijk frustratie over het structureel negeren van moties. Moties over hogere salarissen in de zorg, het bevriezen van de sociale huur en het verlenen van asiel aan Afghaanse tolken behaalden een meerderheid, maar werden niet of slechts ten dele uitgevoerd. Rutte kwalificeerde het tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen als “niet direct uitvoerbaar”. De oppositie sprak van een patroon van selectieve gehoorzaamheid. Moties die politiek handig werden geacht werden omarmd, terwijl ongemakkelijke moties werden genegeerd.
Een ander voorbeeld betreft de stikstofcrisis uit de periode 2019-2022. Tijdens Rutte III en de beginfase van Rutte IV vroeg de Tweede Kamer middels moties om een matiging van het stikstofbeleid ter voorkoming van gedwongen uitkoop van boeren en voor het creëren van meer perspectief. Veel moties riepen op tot het zoeken naar balans zodat boeren niet onevenredig hard geraakt zouden worden. Toch ging de regering met een beroep op “Europese regelgeving” en “juridische noodzaak” veelal gewoon door met de aangekondigde maatregelen. Het lukte de Kamer niet om het beleid aan te passen. Pas na rechterlijke uitspraken en boerenprotesten ontstond enige beweging.
Bij het migratiebeleid zijn hetzelfde mechanisme en patroon zichtbaar. Tussen 2015 en 2025 behaalden moties voor strengere asielregels en snellere terugkeer regelmatig een meerderheid. Desondanks bleven de instroomcijfers hoog en bleef de uitvoeringscapaciteit achter. Ministers beriepen zich op “Europese verdragen” en “praktische belemmeringen”. De Kamer mocht wensen uitspreken, maar de regering bepaalde de uitvoeringstermijn. In 2023 leidde dit tot een motie van afkeuring die uiteindelijk ook de val van Rutte IV inleidde. Dat een beroep op Europese verdragen en coalitieakkoorden vaak een drogreden is, blijkt ook uit recente uitspraken van de Tweede Kamerfractie van D66. Onderdeel van het recent aangenomen Europese Migratiepact is de zogenaamde terugkeerverordening. Deze verordening beoogt om het uitzetten van illegaal verblijvende derdelanders te versnellen en binnen de EU te harmoniseren. In het coalitieakkoord zijn D66, VVD en CDA overeengekomen de terugkeerverordening te steunen. De D66-fractie wil daar nu echter op terugkomen, omdat men van mening is dat er in Brussel een veel strenger pakket van maatregelen is aangenomen dan voorzien. Premier Jetten heeft heel strategisch laten weten dat “de uitwerking” cruciaal is.
Tijdens de coronacrisis is gebleken dat het patroon ook opduikt in ogenschijnlijk technische, maar daarmee niet minder belangrijke dossiers. Tussen 2020 en 2022 werden moties over testbeleid, mondkapjes en schoolsluitingen soms opgevolgd, maar veelal ook creatief geïnterpreteerd via aanvullende regelgeving. Onder het mom van “urgentie” en “verantwoordelijkheid” verschafte de regering zichzelf vrij spel.
Welke regering er ook zit, het patroon herhaalt zich. Het waarom daarvan ligt onder meer besloten in een verschil in tempo en perspectief. De Kamer leeft bij de politieke waan van de dag en opereert middels debatten en moties. Een regering heeft echter te maken met zaken als uitvoerbaarheid, coalitieakkoorden en meerjarige begrotingen. Verder biedt de Grondwet de regering speelruimte. Ministers zijn immers geen ambtenaren van de Kamer, maar dragen een zelfstandige verantwoordelijkheid. Moties zijn daarom slechts een zacht instrument. Tot slot speelt de Nederlandse poldertraditie een rol. Het zoeken naar consensus achter de schermen weegt vaak zwaarder dan een eenmalige stemming. Het al dan niet ondersteunen van moties kan dan in plaats van een inhoudelijke ook een strategische keuze zijn.
Het stelselmatig negeren van moties resulteert in een stille verschuiving van macht, vooral wanneer het kritische dossiers betreft. Het beeld ontstaat dat de regering gewoon kan doen wat haar goeddunkt en dat het parlement er niet meer toe doet. De volksvertegenwoordiging verwordt daarmee tot theater, omdat de uitvoerende macht toch het laatste woord heeft. Het uitbrengen van moties van afkeuring of wantrouwen versterkt dit effect, omdat ministers vaak weg komen met een goede brief of een beroep op “noodzakelijkheid”. De Kamer neemt veelal genoegen met een symbolische overwinning om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag. Het gevolg is een vervreemding die het vertrouwen in het democratische proces en de door vele partijen zo gekoesterde rechtsstaat ondergraaft. Ook de veelbesproken afstand tussen de burger en Den Haag wordt er daarmee niet kleiner op.
Het UNRWA-dossier laat precies dit effect zien. Ondanks een Kamermeerderheid tegen laat de minister schriftelijk weten anders te beslissen. Terwijl de oppositie in alle staten is, trachten de coalitiepartijen de zaak te nuanceren of ze houden wijselijk hun mond. De minister heeft verder laten weten dat de benodigde financiële middelen zullen worden gevonden middels een aanvullende begroting. Het debat hierover vindt echter pas in september plaats. En als het zover is, dan is de subsidie al verstrekt.
Voorgestelde oplossingen om dit patroon te doorbreken vergen een verandering in houding en gedrag van zowel regering als parlement. Zo zou de regering daadwerkelijk en tijdig openheid van zaken moeten geven, in plaats van simpelweg moties te ontraden of zich te verschuilen achter gemeenplaatsen. Verder zou het parlement zich meer moeten richten op dossiers die er daadwerkelijk toe doen. Behalve de VS hebben de meeste landen bijvoorbeeld de steun aan UNRWA na onderzoek inmiddels weer hervat.
Wat vertel ik mijn medemens?
- Het is een patroon dat de uitvoerende macht op strategische momenten een eigen interpretatie geeft aan Kamerwensen of deze gewoon naast zich neerlegt.
- De rol van het parlement, dat wordt geacht het volk te vertegenwoordigen, wordt daarmee uitgehold.
- Moties verwoorden een heersende opinie in het parlement of verzoeken de regering iets te doen of na te laten, ze zijn echter niet bindend.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via