Jeroen van den Berg
De grote schok voor het West-Europese veiligheidsapparaat kwam in maart 2025, toen de regering-Trump tijdelijk de Amerikaanse militaire steun en het delen van inlichtingen over het slagveld met Oekraïne stopzette. Decennialang was de Europese veiligheidsplanning gebaseerd op de aanname dat Amerikaanse inlichtingencapaciteiten beschikbaar zouden zijn wanneer de strategische belangen groot werden. Plotseling konden de Europeanen er niet meer zeker van zijn daarop te kunnen vertrouwen. Later in 2025 stopte Nederland zelfs met het delen van bepaalde informatie met Amerikaanse tegenhangers, zogenaamd vanwege zorgen over politieke inmenging en overwegingen op het gebied van ‘mensenrechten’. Bij de Europese partners van Washington begon het besef door te dringen dat samenwerking op inlichtingengebied door de politieke veranderingen niet meer hetzelfde was.
In augustus 2026 heeft de Nederlandse regering wijzigingen in de nationale veiligheidswetgeving voorgesteld die de bevoegdheden van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de AIVD, en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de MIVD, flink verruimen. De voorgestelde regels staan de diensten toe bepaalde proactieve operaties uit te voeren zonder vooraf toestemming te verkrijgen, en ruimere uitwisseling van inlichtingen met de krijgsmacht, andere overheidsinstanties en particuliere bedrijven mogelijk maken. De Nederlandse regering heeft China, Iran en Rusland expliciet genoemd als actoren die zij als duidelijke tegenstanders beschouwt. Ook neemt de integratie van de private sector in het nationale veiligheidsstelsel toe. Technologiebedrijven, telecombedrijven en beheerders van kritieke infrastructuur beschikken steeds vaker over informatie die overheden nodig hebben, waardoor het onderscheid tussen de inlichtingengemeenschap en de private economie wordt uitgewist.
Een belangrijk onderdeel in het Nederlandse voorstel is het zogenoemde ‘opponentenregime’. Buitenlandse organisaties die een bedreiging vormen, kunnen op een jaarlijks door de verantwoordelijke ministers vastgestelde lijst worden geplaatst. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om buitenlandse inlichtingendiensten, staatsgestuurde hackersgroepen en terroristische organisaties. Voor bepaalde bevoegdheden tegen deze organisaties, zoals het aftappen van telefoons, vervalt de afzonderlijke onafhankelijke toets vooraf. Daarnaast krijgen financiële instellingen een verplichting om gegevens te verstrekken en wordt de bestaande verstrekkingsplicht voor communicatiediensten uitgebreid naar online platforms. De huidige toezichtsorganen Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) moeten samengaan in een nieuw College van Toetsing en Toezicht.
De Russische ambassadeur in Nederland, Vladimir Tarabrin, ziet de Europese versterking van defensie en veiligheidsdiensten als onderdeel van een gevaarlijke ontwikkeling richting een rechtstreeks conflict met Rusland. Hij noemt de betrekkingen tussen Nederland en Rusland extreem slecht. Nederlandse militaire steun aan Oekraïne, trainingsprogramma’s en samenwerking binnen de defensie-industrie gelden voor hem als aanwijzingen dat Den Haag zich voorbereidt op een confrontatie aan de oostflank van de NAVO. Daarmee presenteert hij dezelfde maatregelen die Europese regeringen als bescherming beschouwen als een bedreiging voor de Russische veiligheid. Tarabrin stelt dat Rusland vreedzaam met Europa wil samenwerken, maar verbindt daaraan voorwaarden: veilige grenzen, geen vijandige militaire structuren in de directe omgeving, opheffing van sancties en erkenning van Russische veiligheidsbelangen. Tegelijk gebruikt hij scherpe nucleaire waarschuwingen. Een rechtstreekse Europese aanval op Rusland zou volgens hem uitlopen op een verwoestende kernoorlog; ook bij een aanval op Kaliningrad kondigt hij een nucleaire reactie aan. Zijn boodschap combineert daarmee een oproep tot diplomatie met dreiging van extreem geweld. De ambassadeur hoopt dat het instinct tot zelfbehoud Europese leiders tot terughoudendheid brengt, maar legt de verantwoordelijkheid voor de oplopende spanningen vrijwel volledig bij het Westen.
De voorgenomen inlichtingendiensten-hervorming in Duitsland vergroot ook het technologische bereik van de Duitse diensten. De Bundesnachrichtendienst (BND) en de binnenlandse veiligheidsdienst, het Bundesamt für Verfassungsschutz (BfV), krijgen veel ruimere mogelijkheden om grote gegevensverzamelingen met kunstmatige intelligentie te verwerken en biometrische informatie te vergelijken met gegevens van internet. Daarmee kunnen zij informatie uit verschillende bronnen gemakkelijker combineren en verbanden leggen die bij afzonderlijke onderzoeken verborgen blijven. Ook worden langere bewaartermijnen voorzien: de inhoud van telecommunicatie die voor strategische inlichtingendoeleinden wordt verzameld, zou maximaal zes maanden kunnen worden bewaard, terwijl communicatiegegevens, zoals IP-adressen, maximaal twaalf maanden beschikbaar zouden blijven. De verandering betreft daarmee zowel de hoeveelheid informatie waarover diensten beschikken als de manier waarop zij die kunnen gebruiken. In combinatie met mogelijkheden voor offensieve cyberoperaties, het manipuleren of verwijderen van gegevens en sabotage ontstaat een dienst die rechtstreeks kan ingrijpen in buitenlandse netwerken en systemen. Dat maakt de grenzen tussen inlichtingenonderzoek, digitale verstoring en militair optreden diffuus. Een dienst die informatie verzamelt, ondersteunt de politieke besluitvorming; een dienst die systemen uitschakelt of gegevens verandert, geeft echter zelf uitvoering aan overheidsmacht. Juist in Duitsland maakt de historische gevoeligheid rond de concentratie van staatsmacht de voorwaarden voor zulke operaties zwaarwegend.
De Oostenrijkse regering benadert de veiligheidskwesties vanuit een andere hoek. Zij heeft plannen aangekondigd om haar wettelijke kader tegen spionage te versterken. Onder het bestaande stelsel kon buitenlandse inlichtingenactiviteit buiten strafrechtelijke aansprakelijkheid vallen wanneer deze tegen andere entiteiten dan Oostenrijk zelf was gericht. Onder de voorgestelde wijzigingen kan buitenlandse spionage tegen internationale organisaties met hun hoofdzetel in Oostenrijk een strafbaar feit worden. De lijst omvat instellingen zoals het Internationaal Atoomenergieagentschap, het VN-kantoor in Wenen, de OVSE en verschillende EU-organen. Ook de definitie van schade wordt herzien, zodat daaronder activiteiten vallen die de veiligheid, de internationale positie of de economische belangen van Oostenrijk mogelijk kunnen schaden, in plaats van uitsluitend situaties waarin daadwerkelijke schade kan worden aangetoond. De wet richt zich ook op het werven van personen door buitenlandse inlichtingendiensten, waaronder zogenoemde laaggeplaatste agenten.
Zweden ondergaat zijn eigen institutionele verandering. Op 1 januari 2027 moet een nieuwe Zweedse buitenlandse inlichtingendienst, UND, van start gaan, waarmee civiele buitenlandse inlichtingen worden gescheiden van militaire inlichtingen. De Zweedse regering stelt dat deze scheiding verantwoordelijkheden zal verduidelijken en het vermogen van het land zal verbeteren om een breder scala aan veiligheidsdreigingen te beoordelen. De toetreding van Zweden tot de NAVO heeft de strategische omgeving van het land fundamenteel veranderd, en de hervorming van zijn inlichtingenstructuur is daarvan een gevolg. Het NAVO-lidmaatschap vereist meer dan alleen militaire interoperabiliteit: een staat moet dreigingen begrijpen, inlichtingen produceren, gevoelige informatie beschermen en inlichtingen aan bondgenoten bijdragen, aldus de Zweedse regering. Het land doet iets wat in Europa gebruikelijk is geworden: nationale veiligheidsinstellingen opnieuw opbouwen voor een wereld waarin strategische onzekerheid het uitgangspunt is, in plaats van de uitzondering.
De EU als blok is nu nog relatief zwak wanneer het om inlichtingenvergaring gaat. Nationale veiligheid staat nog altijd voornamelijk onder controle van de lidstaten. Brussel kan coördineren en analyseren, maar heeft geen conventionele Europese inlichtingendienst onder zijn gezag. Decennialang werd dit versterkt door onderling nationaal wantrouwen. De meest capabele Europese inlichtingendiensten gaven de voorkeur aan kleine kringen van vertrouwde partners. De Club de Berne, het bekendste Europese samenwerkingsforum voor inlichtingendiensten, heeft geen permanent hoofdkwartier of secretariaat en komt traditioneel slechts periodiek bijeen. Deze situatie begint echter te veranderen. De voormalige Finse president Sauli Niinistö stelde in 2024 voor dat de EU een volwaardige capaciteit voor inlichtingensamenwerking zou moeten overwegen, feitelijk een Europese tegenhanger van de CIA, die zowel strategische als operationele behoeften kan dienen. Politiek blijft dat onrealistisch. Weinig lidstaten zijn bereid de controle over hun gevoeligste inlichtingencapaciteiten aan Brussel over te dragen. Maar dat betekent niet dat de Europese samenwerking op inlichtingengebied stilstaat. Verbindingsofficieren van inlichtingendiensten zijn steeds vaker aanwezig bij de permanente vertegenwoordigingen van EU-lidstaten in Brussel.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via