Bernard Zevenhuizen
Het woord ‘racisme’ bijvoorbeeld, heeft radicale betekenisveranderingen ondergaan. In de roman ‘Jean Révolte’, (1892) van de Franse schrijver Gaston Méry, werd de term ‘racisme’ gebruikt om de veronderstelde superioriteit van de zuivere Galliërs en Kelten te omschrijven. In het begin van de 20ste eeuw veranderde de betekenis naar het maken van onderscheid tussen mensen op basis van hun etnische afkomst, waarbij vanaf het einde van de 20ste eeuw de betekenis verruimde van de opvatting zelf naar het maatschappelijke gevolg daarvan. In 1967 introduceerden twee Black Power activisten het begrip ‘institutioneel racisme’ in hun boek ‘Black power: The Politics of Liberation’. Eind jaren negentig dook het begrip weer op in het politieke discours en nu kun je het vinden op websites van de overheid, het College voor de Rechten van de Mens, waarmee het door de gevestigde orde tot een vaststaand feit is gelegitimeerd. Volgens het College voor de Rechten van de Mens is het de inbedding van racisme in georganiseerde vormen van samenleven en het structurele en collectieve karakter van dit gedrag. Daarbij wordt zonder slag of stoot in Nederland gesteld dat dit tot uiting komt in structurele en collectieve achterstelling van groepen mensen op basis van hun etniciteit.
Het begrip ‘discriminatie’ zou dus kunnen staan voor ‘ongeoorloofd onderscheid op grond van afkomst’. Maar in het wetboek van Strafrecht komt niet alleen een discriminatieverbod voor. In de artikelen over groepsbelediging en aanzetten tot haat wordt het begrip ‘ras’ nog steeds gebruikt. En met ‘racisme’ – al dan niet ‘institutioneel’ – wordt men in de media om de oren geslagen, terwijl ook politici en bestuurders er gretig gebruik van maken. Het is een bruikbaar instrument om blanken ‘white guilt’ mee aan te praten.
Dan is er het woord ‘duurzaamheid’, dat in de betekenis die er nu aan wordt gegeven voor het eerst in 1987 naar voren kwam bij de VN-commissie Brundtland, die het rapport ‘Our common future’ uitbracht als reactie op het verzoek om een mondiale agenda voor verandering te formuleren. Volgens dat rapport betekent ‘duurzaamheid’ het vermogen om in de huidige behoeften te voorzien, zonder daarmee het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Voor 1987 bestond deze betekenis van het woord niet. Het woord zegt niet langer iets over wat het is, maar zoals het moet gaan worden. Het rapport is dus een vroege voorloper van de in 2015 geformuleerde zeventien ‘Sustainable Development Goals’ van de VN en het WEF.
Het woord ‘klimaatneutraal’ is van nog veel recentere datum. Als je het woord googelt, wordt aangegeven dat het woord organisch is gegroeid binnen de wetenschap, met de verwijzing dat dit gebeurd is binnen de klimaatpanels van de VN en diverse milieuorganisaties. Dat logenstraft echter de verwijzing naar organische groei en wetenschap. Het is bewust in een andere betekenis gezet, als voertuig van een bepaalde agenda. Het begrip klimaatneutraal werd immers pas echt wereldbekend en breed gebruikt in het beleid dat na 2019 door de EU-Commissie onder leiding van Von der Leyen en met inbreng van politici als Timmermans en Samson werd geïmplementeerd, onder de benaming ‘European Green Deal’. Het woord is dus met een politiek doel als door een katapult op de maatschappij afgeschoten.
Er valt een duidelijk patroon te zien van woorden waarbij kan worden getraceerd of ze al dan niet eerst door veelal linkse activisten met een agenda werden gebruikt, en daarna door internationale organisaties of overheden werden overgenomen en een ‘officiële’ status verkregen. Het patroon laat ook zien dat het gebruik en de betekenis van het woord klimaatneutraal niet organisch is ontstaan, maar van bovenaf is opgelegd door het conglomeraat van overheid, sociale media, onderwijsinstellingen, grote multinationals en reguliere media.
Mensen worden gedwongen deze begrippen uit de Coronaperiode te blijven gebruiken. Met het gebruik van daaraan gerelateerde woorden beheerst men het officiële narratief dat men wil verspreiden. Dit soort termen vervullen een functie vergelijkbaar met die van een herdershond bij een kudde schapen. Mensen die deze begrippen niet bezigen worden meteen ‘ontmaskerd’ als het spreekwoordelijke ‘zwarte schaap’.
In de coronatijd zagen we een heel slinks gebruik van nieuwe terminologie, om twijfelaars en kritische vragenstellers mee stil te krijgen. Zo dook in 2020 – zogenaamd als vanuit het niets – overal in de reguliere- en sociale media het woord ‘wappie’ op. ‘Wappie’ is een sticker voor kritisch denkende mensen die het officiële narratief van de overheid en de zogeheten ‘experts’ niet vertrouwen, en het werd als wapen gebruikt om elke discussie te vermijden en critici met één enkel woord monddood te maken. De website www.onzetaal.nl omschrijft het begrip ‘wappie’ als: “iemand met bizarre, niet op feiten gebaseerde opvattingen over een bepaalde kwestie”. De frase “dat zijn de consequenties” verscheen overal toen kritiek werd geleverd op de uitsluiting van ongevaccineerden van de maatschappij. Het was een pasklaar begrip, dat elke meeloper in de coronatijd kon gebruiken om deze discriminatoire uitsluiting mee te rechtvaardigen. Het veronderstelde een causaal verband tussen het beschermen van je lichamelijke integriteit en totale uitsluiting van de maatschappij. Een causaal verband is de relatie tussen oorzaak en gevolg. Het geeft aan dat de ene gebeurtenis (de oorzaak) direct leidt tot een andere gebeurtenis (het gevolg). Wanneer er sprake is van causaliteit, veroorzaakt het een het ander.
De specifieke herkomst van het grootschalig opduiken van het gebruik van het woord ‘wappie’ in 2020 als denigrerende term voor critici van het coronabeleid, valt volgens taalinstituten en ‘experts’ niet te traceren. Er wordt op gewezen dat het woord al tientallen jaren in straattaal in een andere betekenis werd gebruikt. Voor 2020 bestond het echter niet als zelfstandig naamwoord speciaal bedoeld om coronacritici mee te marginaliseren. De gevestigde orde had er alle belang bij de termen ‘wappie’ en “dat zijn de consequenties” als clusterbommen in de maatschappij te droppen, om de voorgeschreven waanwerkelijkheid in stand te kunnen houden. Aalbersberg, voormalige baas van de NCTV, heeft bij de parlementaire enquêtecommissie toegegeven spijt te hebben van het feit dat hij de term ‘wappie’ heeft gebruikt. Dit heeft de schijn van krokodillentranen, maar komt toch ook over als een impliciete, zij het waarschijnlijk onbedoelde, schuldbekentenis.
Dit heeft raakvlakken met het creëren van het woord ‘complottheorie’ door de CIA, met als doel critici van het officiële verhaal van de moord op moord op John F. Kennedy mee te ridiculiseren.
Tot slot is er ook nog het ‘verbod’ op het gebruik van woorden die voorheen volstrekt normaal waren. Zo nam tijdens een recent Kamerdebat een VVD-Kamerlid afstand van het begrip ‘blanke Nederlander’, dat door Martin Bosma werd gebruikt. Bij gebruik van het woord ‘omvolking’ wordt volksvertegenwoordigers het woord ontnomen of labelt men het als Nazi-terminologie.
Taal is op die manier dus niet objectief, maar een subjectief wapen in de hand van machten die de maatschappij ingrijpend willen veranderen. Bewustzijn daarvan is nodig, om persoonlijke integriteit en de morele gezondheid van de maatschappij te bevorderen – een voortdurende waarschuwing om niet mee te gaan in de voorgeschreven terminologie om zo de voorgeschreven werkelijkheid een handje te helpen.
Wat vertel ik mijn medemens?
- Taal wordt door de machten achter Agenda 2030 gebruikt om de publieke perceptie vorm te geven.
- Vooral het verzinnen van nieuwe woorden, of het veranderen van de betekenis van woorden waarmee men vertrouwd is.
- Er is ook nog het ‘verbod’ op het gebruik van woorden die voorheen volstrekt normaal waren.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via