Jeroen van den Berg
Alexander Hamilton was van 1789 tot 1795 de eerste minister van Financiën van de VS. Hij ontwierp een economisch model dat volledig brak met de manier waarop het Britse Rijk zijn macht had opgebouwd. Waar Londen zijn rijkdom ontleende aan koloniale handel, financiële speculatie en de controle over internationale kredietstromen, zag Hamilton een heel andere toekomst voor de jonge republiek. Volgens hem moest een natie niet afhankelijk zijn van buitenlandse industrie of particuliere financiële belangen, maar beschikken over een eigen productieve economie. De creatieve vermogens van vrije burgers die met behulp van wetenschap, techniek en ondernemerschap nieuwe rijkdom konden scheppen, vertegenwoordigden volgens hem de werkelijke welvaart. Zijn beroemde Report on Manufactures uit 1791 geldt nog altijd als de intellectuele blauwdruk van het American System. Daarin werkte Hamilton een samenhangend economisch model uit, waarin nationale kredietschepping, een nationale bank, bescherming van jonge industrieën, investeringen in infrastructuur en wetenschappelijke vooruitgang elkaar onderling versterkten. De overheid moest daarbij de voorwaarden scheppen waaronder ondernemerschap optimaal kon floreren.
Industrie was volgens Hamilton een instrument om de menselijke geest te ontwikkelen. Een samenleving werd rijk doordat zij steeds innovatiever werd. Juist deze visie bracht Hamilton in botsing met de economische belangen van zijn tijd. In de gangbare geschiedschrijving wordt zijn dood in 1804 verklaard als het tragische gevolg van een persoonlijk duel met vicepresident Aaron Burr. Dit is echter onjuist. Hamilton vormde namelijk een fundamentele bedreiging voor de financiële en geopolitieke belangen die nauw verbonden waren met Groot-Brittannië. Burr was onderdeel van een bredere stroming die de jonge republiek wilde verzwakken en uiteindelijk uiteen wilde laten vallen. Burr was in nauw contact met Britse diplomaten en maakte plannen om delen van de VS af te scheiden. Hij zorgde mede voor het begin van een politieke en economische machtsverschuiving die uiteindelijk zou leiden tot de dominantie van Wall Street, omdat hij de belangrijkste verdediger van het nationale economische model uitschakelde. Er ontstond daarna steeds meer ruimte voor een financieel systeem waarin particuliere banken, speculatief kapitaal en internationale kredietmarkten de toon gingen zetten.
Na Hamilton werd diens economische visie jaren later voortgezet door Abraham Lincoln (president van 1861–1865). Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog stond niet alleen de eenheid van de VS op het spel, maar ook de vraag welk economisch systeem uiteindelijk zou zegevieren. Lincoln voerde beschermende invoertarieven in en introduceerde de beroemde ‘Greenbacks’ als door de overheid uitgegeven geld. Krediet moest volgens Lincoln niet worden gecreëerd ten bate van financiële markten, maar ten dienste staan van de productieve ontwikkeling van de natie. In plaats van private banken, die hun eigen bankbiljetten uitgaven, begon de Amerikaanse schatkist zelf geld te creëren. Dit nieuwe geld werd niet gebruikt voor consumptie, maar voor concrete nationale projecten, zoals industriële ontwikkeling, transcontinentale spoorlijnen, nieuwe fabrieken en infrastructuur. Dit is een enorm contrast met het bankwezen van vóór Lincoln, waarin duizenden verschillende bankbiljetten circuleerden, veel vervalsingen voorkwamen en vrijwel geen centrale regie bestond. Greenbacks hebben stabiliteit en nationale planning mogelijk gemaakt. Het was precies deze gedachte die lijnrecht stond tegenover het financiële model van de City of London, waar particuliere banken en internationale kredietmarkten de economische ontwikkeling bepaalden.
Het zogenoemde Morrill Tariff van 1861 was de sleutel tot het economisch herstel van de VS tijdens de Burgeroorlog. Door hoge invoerrechten op buitenlandse industriële producten kon de Amerikaanse industrie zich ontwikkelen en konden de Noordelijke Staten hun eigen wapens, spoorwegen en machines produceren. Het Zuiden van de VS was vrijwel volledig afhankelijk van de export van katoen naar Groot-Brittannië en had daardoor nauwelijks een eigen industrie ontwikkeld. De Burgeroorlog was een Britse poging om de Verenigde Staten uiteen te doen vallen. Het beschermende tarief maakte de industriële onafhankelijkheid mogelijk die Lincoln nodig had om de oorlog te winnen. Na Lincolns moord, verloor de economische traditie van het American System geleidelijk terrein, maar zij verdween niet. Binnen de Republikeinse Partij bleef een groep politici vasthouden aan Hamiltons ideeën. De belangrijkste vertegenwoordiger daarvan werd William McKinley (president 1897–1901). Hij werd de persoon die het American System het meest succesvol wist in te zetten en identificeerde zich volledig met de economische ideeën van Lincoln en Hamilton. Bovendien was hij geen lid van een rijke elite, maar heeft juist door zijn eigen verdiensten politiek carrière gemaakt.
Onder McKinley groeide de Amerikaanse industrie in rap tempo en werden beschermende invoertarieven opnieuw een belangrijk onderdeel van het economische beleid. Er was een scherp onderscheid tussen twee soorten invoertarieven. Tarieven konden worden gebruikt om op eenvoudige wijze belastinginkomsten voor de overheid te genereren. Dit noemde McKinley een ‘opbrengst tarief’, dat uitsluitend diende om belastinginkomsten te genereren en geen industriebeleid ondersteunde. Opbrengst tarieven functioneerden feitelijk als een alternatieve vorm van belasting. Daartegenover stond het ‘beschermend tarief’; een zorgvuldig ontworpen bescherming van jonge industrieën, totdat zij zelfstandig internationaal konden gaan concurreren. Deze tarieven waren tijdelijk en gekoppeld aan een nationale ontwikkelingsstrategie. Ze waren bedoeld om uiteindelijk de productiecapaciteit te verhogen. Tarieven vormden dus nooit een doel op zichzelf, maar waren onderdeel van een veel groter economisch programma, waarin infrastructuur, industrie, krediet, wetenschap en onderwijs gezamenlijk de productieve kracht van een samenleving moesten vergroten.
Hamilton, Lincoln en McKinley zagen economische ontwikkeling als een proces waarin de menselijke creativiteit centraal staat. Fabrieken waren plaatsen waar vakmanschap, technische kennis en innovatie ontstonden. Benjamin Franklin beschreef het nastreven van geluk als een voortdurende ontwikkeling van menselijke vermogens. Vanuit die gedachte bezien stond de economie volledig in dienst van de ontwikkeling van de mens en niet andersom. Het presidentschap van McKinley eindigde abrupt, doordat hij in 1901 vermoord werd. Trump verwijst vaak naar deze president en dat is niet zonder reden.
De tegenpool van het American System is het Britse imperiale model. De City of London staat daarin symbool voor een economie waarin financiële macht belangrijker is dan productieve arbeid. In plaats van eigen industrieën op te bouwen, worden landen afhankelijk gemaakt van grondstoffenexport, schulden en internationale kredietverlening. Koloniën leveren goedkope grondstoffen, terwijl de industriële verwerking en de financiële opbrengsten geconcentreerd blijven in Londen. Dit verklaart waarom Groot-Brittannië zich gedurende de negentiende eeuw verzette tegen iedere poging van andere landen om een volledige industriële economie op te bouwen. Niet alleen de VS, maar ook Duitsland onder Bismarck, Rusland onder Sergej Witte en later ook verschillende Aziatische landen hebben elementen van het Hamiltoniaanse model overgenomen en daarmee een uitdaging gevormd voor de Britse wereldorde. Theodore Roosevelt (president van 1901 tot 1909) is degene die deze uitdagende koers na 1901 fundamenteel heeft verlaten ten gunste van vrijhandel, imperialisme en nauwere samenwerking met Groot-Brittannië.
Met de hernieuwde aandacht die Donald Trump in zijn beleid schenkt aan Alexander Hamilton, Abraham Lincoln en William McKinley is het debat over het American System teruggekeerd in de Amerikaanse politiek. Trump benadrukt herindustrialisering, nationale productie, strategische autonomie, infrastructuur en het terughalen van productiecapaciteit. Zijn nadruk op fabrikanten, ingenieurs, bouwers en ondernemers sluit nauw aan bij Hamiltons idee dat economische groei voortkomt uit productieve arbeid en technologische innovatie. Waar decennialang begrippen als globalisering, vrijhandel en financiële markten de economische discussie domineerden, wordt nu gesproken over strategische autonomie, en dit is een herontdekking van een traditie die teruggaat tot aan de oprichting van de VS.
Wat vertel ik mijn medemens?
De geschiedenis van Amerika is een voortdurende confrontatie tussen twee tegengestelde beschavingsmodellen.
Enerzijds het American System, waarin een natie moet beschikken over een eigen productieve economie. Anderzijds het Britse imperiale systeem, waarin rijkdom ontleend wordt aan koloniale handel, financiële speculatie en de controle over internationale kredietstromen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via