Bert Timmermans
Vergelijk Nederland eens met een oudere auto die van binnenuit wegroest. Het chassis, de kokerbalken, alle holle ruimtes vergaan langzaam. Aan de buitenkant zie je niets. Na een wasbeurt glimt de auto alsof hij net van de showroom komt. Niks aan de hand, toch? Maar schijn bedriegt. Op een gegeven moment beginnen er blaren en roestvlekken door het plaatwerk heen te breken. Er vallen gaten in de kokerbalken, en als er niet op tijd wordt gelast, is het gedaan met de mooie auto.
Die auto is Nederland. Wie goed kijkt, ziet de roest al door de lak heen dringen. Een goed voorbeeld van zo’n roestblaar is het vrachtwagenverbod op de Merwedebrug. Als de metafoor van de roestige auto opgaat, is dit het topje van een hele grote ijsberg.
Terwijl vanwege tekorten in onderhoudsbudgetten bruggen dreigen in te storten, heeft Nederland zo’n beetje de hoogste belastingdruk van Europa. Directe en indirecte belastingen stijgen jaar na jaar, terwijl het leven tegelijkertijd duurder wordt vanwege inflatie, onder andere door afnemende concurrentie tussen supermarkten.
De gemiddelde belasting- en premiedruk per inwoner, gecorrigeerd voor inflatie, is gestegen van zo’n € 2.000 per jaar in 1955 naar ongeveer € 28.000 nu. Los van de precieze getallen, is de richting onmiskenbaar: de lijn wijst al decennia omhoog, en er komt geen einde aan. Elk jaar melden zich nieuwe heffingen: CO₂-belasting op consumentenaankopen, heffingen voor vrachtvervoer, hogere accijnzen en een nieuwe defensie-heffing om de “voorbereiding op een mogelijke oorlog” mee te bekostigen. Daarbovenop komen straks nog een Europese ‘exit tax’, klimaatheffingen, en verzwaringen van de erf- en schenkbelasting.
Inmiddels gaat het om zo’n 70% van het inkomen van de gemiddelde Nederlander dat rechtstreeks of indirect naar de overheid vloeit, omgerekend werken we 3,5 dag per week voor de fiscus en houden we 1,5 dag over voor onszelf. Ter vergelijking, een land als Hongarije hanteert een vlaktaks van 15% en komt met alle heffingen samen niet boven de 34% uit, tegen een Europees gemiddelde van rond de 40%, waar Nederland dus ruim overheen gaat.
Terwijl lasten en belastingen ongeremd doorgroeien, staat ook het pensioenstelsel onder druk. Het ABP-pensioen is jarenlang onvoldoende geïndexeerd voor inflatie, met een fors koopkrachtverlies tot gevolg. De nieuwe pensioenwet vervangt de oude zekerheid van een uitkeringsgarantie door een ‘pensioenverwachting’: een individueel opgebouwd potje waarvan het beleggingsrendement onzeker is. Vandaar de bijnaam ‘wiebelpensioen’. Ondertussen ligt ook de AOW onder vuur, met aanhoudende discussies tussen kabinet, Kamer en vakbonden over de toekomst ervan.
De Nederlandse huizenmarkt laat een onhoudbare scheefgroei zien: huizenprijzen zijn in de afgelopen decennia meermaals verveelvoudigd, terwijl de koopkracht nauwelijks is meegegroeid. Dat drijft mensen tot torenhoge hypotheekschulden, met het risico dat huizen bij een prijsdaling ‘onder water’ komen te staan
Ook de totale schuld, staat én particulieren samen, groeit explosief. De gecombineerde schuld per inwoner steeg van ongeveer € 100.000 in 2000 naar zo’n € 240.000 nu. Een schuld van die omvang wordt niet zomaar afbetaald; economen wijzen er vaker op dat zulke schuldniveaus uiteindelijk om een drastische correctie vragen, met alle gevolgen van dien voor wie op dat moment de rekening gepresenteerd krijgt, de burger dus.
Misschien wel het meest zorgwekkende signaal is de verschuiving in vermogensverdeling. Waar de middenklasse – dat is grofweg 60% van de bevolking – in 1990 nog zo’n 36% van alle bezittingen in Nederland had, is dat aandeel inmiddels teruggelopen tot ongeveer 24%. De rijkste 1% bezat in 1990 17% van het vermogen; dat aandeel is inmiddels gegroeid tot ruim een derde. Een economie die draait op een sterke, ondernemende middenklasse ziet die groep juist het hardst geraakt worden door de opeenstapeling van belastingen. Wie zijn ogen openhoudt, ziet het aan de leegstand in menig winkelcentrum. Ondernemers zien geen toekomst meer, gaan failliet, stoppen er mee of emigreren, het liefst zo ver mogelijk weg.
Diezelfde ontwikkeling is zichtbaar in het aandeel werkenden dat ondanks een baan niet kan rondkomen zonder toeslagen: rond de 43% van de werkende bevolking is inmiddels afhankelijk van huur-, zorg- of andere toeslagen.
Nederland produceerde rond 2010 nog ruimschoots meer energie dan het zelf verbruikte. Dat aandeel is sindsdien fors gedaald, tot een punt waarop een aanzienlijk deel van onze energiebehoefte via import wordt gedekt, in een tijd waarin energie internationaal steeds meer de inzet van geopolitieke spanningen is. Tegelijk behoort Nederland tot de landen met de hoogste gasprijzen van Europa, een combinatie van energiebeleid en belastingdruk die de concurrentiepositie van bedrijven ernstig aantast.
De industriële productie, de auto-industrie en de chemische sector voorop, is in de eurozone al jaren structureel aan het krimpen, niet als gevolg van een tijdelijke conjunctuurdip maar als onderdeel van een langere trend. Hoge energiekosten, verscherpte milieuregels en stikstofnormen jagen bedrijven naar de uitgang: naar faillissement, of naar het buitenland.
Vanaf 2027 komt er een Europese klimaatheffing op brandstof en huishoudelijke energie bij. Die verhoging van de bestaande nationale belastingen gaan naar verwachting honderden euro’s extra kosten per huishouden per jaar, afhankelijk van het type woning. Dat geld gaat rechtstreeks naar Brussel, dat vervolgens over de verdeling beslist. Ondertussen komen ook zuivel, vlees, kleding en vliegtuigvervoer in aanmerking voor toekomstige klimaatheffingen.
Onze boeren en vissers ondervinden dat beleid nu al aan den lijve. Nederland was ooit wereldwijd toonaangevend qua voedselproductie en -export. Sinds 1990 is echter al zo’n 250.000 hectare landbouwgrond aan de productie onttrokken, met nog eens 200.000 hectare op de nominatie.
Wie voedselzekerheid als een serieus nationaal belang beschouwt, zal zich moeten afvragen wat er gebeurt als de internationale voedselketen ooit hapert, terwijl de binnenlandse productiecapaciteit intussen structureel is verminderd.
Op straat lijkt er weinig aan de hand. De schappen in de supermarkt liggen nog vol, het stadsleven bruist, de terrassen zijn ruim bezet, het leven gaat door alsof dat altijd zo zal blijven. Maar wie onder de motorkap kijkt, naar belastingdruk, pensioenzekerheid, schuldopbouw, vermogensongelijkheid, energieafhankelijkheid en de afbraak van de voedselsector, ziet een land dat op meerdere fronten tegelijk op de meest kwetsbare plekken begint door te roesten.
Geen van die problemen is dit jaar ontstaan, en geen ervan lost zichzelf op door te blijven wegkijken en politieke toneelstukjes te spelen in het parlement, want daar komt de oplossing gegarandeerd niet vandaan. In tegendeel.
Een APK-keuring voor een land bestaat helaas niet. Wanneer die er wel zou zijn, zou de conclusie waarschijnlijk luiden: doorgaan zonder onmiddellijke grondige reparaties is onverantwoord. Te vrezen valt dat de keurmeester zou verklaren dat er nog maar één oplossing is overgebleven: Nederland is rijp voor de sloop en slechts enkele onderdelen ervan kunnen misschien nog verkocht worden.
Triest dat de ‘bezitter van deze auto’ het zo ver heeft laten komen.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via