Eric Lopes Cardozo
Behalve snelheid en gelijktijdigheid, is ook het bereik waarmee informatie zich over de gehele wereld verspreidt historisch ongekend. Van plaatsgebondenheid is geen sprake meer. Deze effecten worden vaak voorgesteld als een logisch gevolg van technologische vooruitgang. Wie echter beter kijkt, ziet geen spontane dynamiek, maar een strak georganiseerde infrastructuur die leidt tot een digitale uniformering van informatie. Digitale uniformering is het hardnekkige en vrijwel onontkoombare resultaat van elkaar versterkende machtsstructuren.
De eerste van die machtsstructuren is van economische aard. Een klein aantal technologiebedrijven – waaronder Google, Meta, X en TikTok – speelt een centrale rol in de mondiale informatievoorziening. De door hen geboden socialemedia-platforms, zoals YouTube en Facebook, zijn uitgegroeid tot de belangrijkste toegangspoorten tot nieuws, opinies en cultuur. Zij bepalen niet alleen wat mensen zien, maar ook hoe vaak en in welke context dat gebeurt. Selectie en zichtbaarheid van informatie zijn het resultaat van technische en commerciële keuzes. Het verdienmodel achter deze platforms is grotendeels gebaseerd op het aanbieden van advertenties. In dat opzicht verschillen zij niet fundamenteel van de traditionele media; het grote verschil zit hem in de verfijning. In tegenstelling tot de traditionele media beschikken socialemedia-platforms over uiterst gedetailleerde gegevens van individuele gebruikers. Daarbij kan hun gedrag in realtime worden gevolgd. Dit maakt dat informatie gepersonaliseerd kan worden aangeboden, waarbij het de bedoeling is om zo lang mogelijk de aandacht vast te houden. Hoe langer de aandacht kan worden vastgehouden, hoe meer advertenties kunnen worden getoond.
Binnen dit systeem wordt voorrang gegeven aan inhoud die emoties oproept, die bevestigt wat gebruikers al dachten, of die aanzet tot snelle interactie. Dit wordt gedaan middels geautomatiseerde selectie en rangschikking. Het gaat niet om welke informatie beschikbaar is, maar om welke informatie iemand te zien krijgt. Nuance, afwijking en complexiteit leveren minder betrokkenheid op en worden daarom naar de achtergrond verwezen. Op deze manier ontstaat een structurele voorkeur voor herhaling en vereenvoudiging.
De markten waarin deze platforms opereren worden bovendien gekenmerkt door sterke netwerkeffecten; hoe meer gebruikers een platform heeft, hoe aantrekkelijker het wordt voor nieuwe gebruikers en adverteerders. Dit maakt het voor concurrenten zeer moeilijk om een vergelijkbare positie op te bouwen. Er is geen sprake van een enkel formeel monopolie, maar wel van een uiterst geconcentreerd landschap waarin enkele spelers een disproportionele invloed uitoefenen op de informatiestromen.
De volgende machtsstructuur is van technologische aard en heeft als kern het ontwerp van algoritmen. Wat iemand op zijn scherm te zien krijgt in antwoord op een zoekcriterium in een browser, of het simpelweg openen van YouTube, is het eindproduct van duizenden optimalisaties. Er wordt hierbij niet geoptimaliseerd voor feitelijke correctheid, kwaliteit of maatschappelijk belang, maar op meetbare betrokkenheid. Algoritmen voegen herhaalbaarheid, emotionele prikkeling en conformiteit toe aan wat reeds goed presteert. Originele of complexe ideeën hebben per definitie al een achterstand, omdat het verwerken ervan tijd, context en reflectie vereist.
Hierdoor ontstaat een zelfversterkend mechanisme. Gebruikers passen zich aan. Platforms gebruiken dit vervolgens als bewijs van ‘voorkeur’. Zo ontstaat een feedback-lus waarin uniform gedrag niet alleen wordt aangemoedigd, maar als natuurlijk en gewenst wordt gepresenteerd. Het individu neemt het algoritme onbewust over. Afwijkingen verdwijnen, niet door verbod van content, maar door de numerieke irrelevantie ervan.
Een derde machtsstructuur is van cultureel-psychologische aard. Jongeren groeien op in een omgeving waarin hun bestaan wordt gedefinieerd middels zichtbaarheid in de digitale wereld. Sociale erkenning wordt bepaald door het aantal likes, views en volgers, in plaats van intermenselijke relaties of inhoudelijke kwaliteit van wat zij aan content bieden. In zo’n context is conformiteit geen morele zwakte, maar overlevingsstrategie. Taalgebruik, esthetiek en opinies worden aangepast aan wat bijdraagt aan de zichtbaarheid in de digitale wereld. De prijs van afwijking hiervan is sociale onzichtbaarheid.
Deze dynamiek heeft aantoonbare gevolgen voor de cognitieve ontwikkeling van jongeren. Diverse longitudinale studies – onderzoeken waarbij dezelfde personen of groepen gedurende een langere periode herhaaldelijk worden gevolgd en gemeten – laten zien dat een hoge schermtijd samenhangt met een verminderde aandachtsspanne, een afname van cognitieve functies en een voorkeur voor informatie die snelle prikkels verkiest boven langdurige concentratie. Dat betekent niet dat digitale media automatisch schade veroorzaken, maar wel dat zij een cognitief klimaat scheppen waarin diepgang structureel wordt ontmoedigd. Uniformering manifesteert zich hier als vereenvoudiging, in de vorm van korte zinnen, voorspelbare framing en herhaalbare emoties.
De volgende machtsstructuur is van politiek-institutionele aard. Overheden presenteren zich graag als tegenmacht tegen tech-bedrijven. In de praktijk voeden ze echter hun bestaansrecht. Tijdens de coronaperiode stonden ambtenaren bijvoorbeeld in direct contact met socialemedia-platforms om direct te kunnen ingrijpen met het weren van bepaalde ‘schadelijke’ content. Deze praktijk is inmiddels vastgelegd in wetgeving: de Europese Digital Services Act. Deze wet is officieel bedoeld om burgers in de digitale wereld te beschermen. Tegelijkertijd creëert het echter een systeem van preventieve zelfcensuur, waaraan platforms zich gaan houden. Door vage normen en hoge boetes worden deze gedwongen om liever te veel dan te weinig content te verwijderen. Beslissingen hierover worden uitbesteed aan geautomatiseerde systemen en onderaannemers, zoals factcheckers. Wat en waarom er wordt gecensureerd is, voor zover al nodig, volstrekt onduidelijk en staat los van democratische controle. Zelfs een platform als ‘X’, dat zegt te staan voor vrijheid van meningsuiting, werkt gewoon mee aan het actief weren van onwelgevallige content.
Hetzelfde is te zien bij een website als Wikipedia, ’s werelds grootste, meertalige online encyclopedie. Het is een vrij toegankelijk platform, dat door duizenden vrijwilligers wordt geschreven en bewerkt, waarbij iedereen artikelen over bijna elk onderwerp kan aanpassen, met als doel het delen van betrouwbare en objectieve kennis. Wikipedia staat echter vol met fouten en onwaarheden. De Wikipedia-gemeenschap controleert naar eigen zeggen de kwaliteit van de informatie en hanteert richtlijnen voor objectiviteit en verifieerbaarheid. Bij politieke of omstreden onderwerpen is de kans op subjectiviteit en/of manipulatie echter kolossaal.
In plaats van door een centraal bestuur opgelegde censuur, is een diffuus klimaat ontstaan waarin bepaalde standpunten structureel worden ontmoedigd. Niet omdat deze onwaarheden bevatten, maar omdat ze afbreuk doen aan de ‘voorgeschreven werkelijkheid’. Het gaat in dat opzicht om risicobeheersing. Wat binnen het wettelijke kader valt, maar ongewenst is, wordt vervangen door wat binnen het risicoprofiel past. Vrijheid van meningsuiting verschrompelt daarmee tot vrijheid zonder bereik; wel freedom of speech, maar geen freedom of reach. Informatie kan vrijelijk worden gedeeld, maar alleen binnen de eigen beperkte echokamer. Selectie van informatie vindt daarmee plaats voordat een publiek debat kan beginnen, in plaats van in de loop van dat debat.
Een vijfde en laatste machtsstructuur is van epistemologische aard. Epistemologie is een tak van de filosofie die zich met kennis bezighoudt. Het onderzoekt vraagstukken als waaruit kennis bestaat, hoe het wordt verkregen, wanneer iets waar of gerechtvaardigd is, of wanneer we iets al of niet kunnen weten. Het betreft dus de manier waarop kennis wordt gefilterd en gepresenteerd, en een groeiende rol hierin is weggelegd voor Kunstmatige Intelligentie (AI). AI-systemen worden getraind met bestaande datasets en dominante narratieven. Dit is ook de oorzaak van de zogenaamde vooringenomenheid van Kunstmatige Intelligentie, de zogenaamde AI-bias. Het gevolg is dat AI onder het mom van neutraliteit bestaande machtsverhoudingen zal reproduceren. Wat afwijkt van het statistische midden wordt daarmee niet actief bestreden, maar is systematisch ondervertegenwoordigd.
Dit heeft directe gevolgen voor taal. Woorden verliezen hun ambiguïteit en worden gereduceerd tot etiketten. Complexe begrippen worden vervangen door moreel wenselijke platitudes. In zo’n omgeving verdwijnen ironie, creativiteit en contextgevoeligheid. Niet vanwege een verbod erop, maar omdat deze kwaliteiten slecht renderen. Taalverarming is hier niet in de eerste plaats cultureel verval, maar een functionele aanpassing aan een geautomatiseerd informatiesysteem.
Samenvattend mogen we constateren dat digitale uniformering niet het resultaat is van een natuurwet of de toevallige bijkomstigheid van technologische vooruitgang, maar wordt geproduceerd door een samengaan van keuzes, belangen en machtsconcentraties. Het afbreken ervan vergt een besef dat het niet de technologie is die ons vormt, maar wie en welke instanties haar bestuurt en met welk achterliggend doel.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via