Skip to main content Scroll Top

‘Scientisme’: wanneer wetenschap een geloof wordt

artikelen 135
‘Scientisme’: wanneer wetenschap een geloof wordt

Jeroen van den Berg

In onze moderne tijd is wetenschap verworden van een uitnodiging tot kritische discussie tot een moreel en politiek eindpunt van debat. Wetenschap was ooit een revolutionaire manier om de wereld te begrijpen. Niet omdat het de absolute waarheid claimde, maar omdat het juist twijfel bracht. Hypotheses werden getest, weerlegd en vervangen. Geen enkele theorie was heilig en elke conclusie bleef ‘voorlopig’. In het publieke discours heeft wetenschap tegenwoordig echter een compleet andere rol gekregen. Politici, media en instituties spreken niet langer over wetenschappelijke inzichten, maar over ‘de wetenschap’, als een soort definitieve autoriteit. De slogan ‘trust the science’ (vertrouw de wetenschap) is daar een duidelijk voorbeeld van.
Dit artikel is alleen voor abonnees
Word nu abonnee van Gezond Verstand Magazine

Kies uit een jaar– of kwartaalabonnement en ontvang de meest kritische en onafhankelijke kijk op actuele onderwerpen.
Wil je liever digitaal lezen? Voor slechts €60 per jaar heb je al een digitaal abonnement.
Je krijgt na je bestelling direct toegang tot alle uitgaven op de website.

Het fenomeen zoals hierboven beschreven, wordt aangeduid met de term ‘scientisme’ – een term die op zich al geheel afwijkt van wetenschap. Het begrip verwijst namelijk naar het idee dat wetenschap de enige legitieme bron van waarheid is en uiteindelijk alle vragen kan beantwoorden, ook vragen die traditioneel als filosofisch, ethisch of politiek werden beschouwd. De Britse filosoof Bertrand Russell waarschuwde in de twintigste eeuw al voor het gevaar dat wetenschap verward kan worden met een vorm van autoriteit. Volgens hem is wetenschap juist sterk, omdat zij onzekerheid erkent en niet omdat zij absolute zekerheid denkt te kunnen bieden. In scientisme gebeurt echter het tegenovergestelde. Wetenschap wordt hier een ideologie, een geloof. Wetenschappers fungeren binnen dit kader als autoriteiten, en consensus wordt gepresenteerd als de onbetwistbare waarheid, waar niet aan getwijfeld mag worden. Waar wetenschap een proces van voortdurend corrigeren is, presenteert scientisme zich als een vorm van definitieve kennis.

De slagzin ‘trust the science’ werd wereldwijd bekend tijdens de coronacrisis. Politici gebruikten het om beleid te legitimeren en om critici mee te kleineren. De formulering was uiterst merkwaardig, want wetenschap is immers geen persoon of instituut dat men simpelweg kan vertrouwen. Wetenschap is een methode: een proces van hypotheses, experimenten en kritiek. De wetenschapsfilosoof Karl Popper stelde dat wetenschap alleen kan functioneren wanneer theorieën weerlegbaar zijn en dus voortdurend kunnen worden uitgedaagd. Zonder kritiek verdwijnt het mechanisme dat wetenschap juist zo betrouwbaar maakt. Wanneer ‘de wetenschap’ wordt gebruikt als argument om een debat mee te beëindigen, ontstaat een paradoxale situatie. De methode die op twijfel is gebaseerd, wordt nu ingezet om twijfel mee te stoppen.

Scientisme heeft ervoor gezorgd dat onze moderne technocratische samenlevingen een structuur hebben gekregen die opvallend veel gelijkenis vertoont met religieuze systemen. In dat licht zijn hedendaagse experts steeds meer gaan functioneren als een soort priesters, terwijl wetenschappelijke studies een bijna onaantastbare status krijgen, als ware het heilige religieuze teksten. Wie daar kritische kanttekeningen bij plaatst, wordt al snel bestempeld als ‘wetenschapsontkenner’ en belandt daarmee in de rol van een moderne ketter. Deze onverbiddelijke onwetenschappelijke vorm van consensus heeft daardoor dogmatische kenmerken gekregen.

In zijn boek The Sleepwalkers: a History of Man’s Changing Vision of the Universe traceerde de befaamde politiek denker Arthur Koestler in 1959 de geschiedenis van de westerse kosmologie, vanaf de oudheid tot aan Isaac Newton. Hij vergeleek de ontdekkingen in de wetenschap met een proces dat kon worden gezien als een vorm van slaapwandelen. Wetenschappers zijn zich niet bewust van hetgeen waardoor zij geleid worden, en ook niet van de implicaties van wat zij ontdekken. Zij werkten altijd binnen kaders die in de mode waren. In 1962 kwam de Amerikaanse filosoof Thomas Kuhn met zijn invloedrijke werk The Structure of Scientific Revolutions, dat op die modieusheid voortborduurde. Kuhn introduceerde het concept van paradigma’s. Dit zijn gedeelde denkkaders waarbinnen wetenschappers werken en die bepalen welke vragen legitiem zijn, welke methodes kunnen worden gebruikt en welke antwoorden acceptabel worden geacht. Het begrip paradigma biedt een cruciale lens om het fenomeen scientisme mee te begrijpen, juist omdat Kuhn liet zien dat wetenschap in de praktijk minder lineair en objectief verloopt dan wordt aangenomen. Volgens Kuhn bestaat het grootste deel van de wetenschap uit wat hij ‘normale wetenschap’ noemt: onderzoek dat zich niet richt op het omverwerpen van de bestaande denkbeelden, maar juist op het verfijnen ervan. Pas wanneer zich te veel afwijkingen opstapelen, ontstaat er ruimte voor een wetenschappelijke revolutie, waarbij het oude paradigma wordt vervangen door een nieuw.

- Het artikel gaat hieronder verder -

Doe Gezond Verstand cadeau met 15% korting!

De Gift Card is een leuke manier om Gezond Verstand een kwartaal of een jaar lang cadeau doen. De Gift Card is digitaal verkrijgbaar én als pasje met daarop een unieke code + een feestelijke cadeau-enveloppe.
Abonnees krijgen 15% korting!

Gezond Verstand 6x cadeau doen
Op papier én digitaal
Normaal €24,- voor abonnees €20,-

Gezond Verstand 24x cadeau doen
Op papier én digitaal
Normaal €80,- voor abonnees €70,-

Wat hierbij essentieel is, is dat zulke verschuivingen niet puur rationeel of geleidelijk aan verlopen, maar vaak gepaard gaan met weerstand, sociale dynamiek en zelfs generatiewisselingen. Kuhn suggereerde daarmee dat wetenschap niet alleen een neutraal proces van feitenverzameling is, maar ook een menselijke praktijk, die beïnvloed wordt door groepsdenken, instituties en gevestigde belangen. Zijn werk ondermijnt daarmee het idee dat er zoiets bestaat als één definitieve vorm van wetenschap à la scientisme, die boven elke discussie verheven is.

Een van de meest concrete uitingen van scientisme in de moderne samenleving is het onvoorwaardelijke vertrouwen in modellen, zoals wiskundige representaties van de werkelijkheid, die worden gebruikt om voorspellingen te doen over klimaat, economie of pandemieën. Binnen de denkwijze van scientisme verschuift de status van wetenschap van hulpmiddel naar autoriteit. Klimaatmodellen, epidemiologische modellen en economische prognoses worden dan niet langer gepresenteerd als benaderingen, met aannames en onzekerheden, maar als objectieve voorspellingen, waarop beleid rechtstreeks gebaseerd moet worden.

Hier wordt het denken in termen van paradigma’s bijzonder relevant. Wat namelijk buiten het denkkader valt, blijft per definitie onzichtbaar in de uitkomst van het toegepaste model. Toch wordt in het publieke debat gedaan alsof modellen de werkelijkheid representeren, in plaats van dat ze een interpretatie zijn van die werkelijkheid binnen een bepaald raamwerk. Cijfers en grafieken krijgen hierdoor een status van onaantastbaarheid, terwijl de onderliggende aannames geen onderwerp van breed debat meer zijn.

Tijdens crises wordt dit extra versterkt. Beleidskeuzes worden gelegitimeerd met verwijzingen naar ‘wat de modellen zeggen’, waarbij politieke en morele afwegingen worden verpakt als technische noodzaak. Daarmee ontstaat een situatie waarin onzekerheid wordt weggemasseerd in gebrekkige communicatie, en waarbij afwijkende interpretaties worden gezien als onwetenschappelijk. Elk model is per definitie een vereenvoudiging; het abstraheert de complexiteit van de werkelijkheid, om hanteerbaar te blijven. Wanneer het feit van die vereenvoudiging echter wordt vergeten en het model zelf als realiteit wordt behandeld, ontstaat precies de verschuiving die scientisme kenmerkt, namelijk van kritisch instrument naar object van geloof.

Wetenschap bestaat niet in een vacuüm, maar wordt bedreven binnen allerlei instituties, zoals universiteiten, onderzoekscentra, overheden en bedrijven. Financiering, reputatie en politieke belangen spelen allemaal een rol bij welke vragen worden gesteld en welke antwoorden worden benadrukt. Wanneer die ‘wetenschappelijke autoriteit’ vervolgens wordt gebruikt om beleid te legitimeren, ontstaat een complexe wisselwerking tussen kennis en macht. Beleidskeuzes worden gepresenteerd als ‘voortkomend uit de wetenschap’, terwijl ze in werkelijkheid politieke afwegingen bevatten. Dit leidt tot een situatie waarin wetenschappelijke onzekerheden worden weggelaten in de communicatie, alternatieve perspectieven geen ruimte krijgen, en het debat verschuift van inhoud naar legitimiteit. Wetenschap is dan niet langer een bron van inzicht, maar een instrument van overtuiging.

Een van de meest zorgwekkende gevolgen van scientisme is de corrumpering van het begrip wetenschap. Dit, omdat de cultuur rondom wetenschap compleet veranderd is. Waar kritiek en tegenspraak ooit de motor vormden van vooruitgang, is nu een klimaat ontstaan waarin afwijkende stemmen steeds vaker worden gezien als bedreigend. De ‘afvalligen’ – wetenschappers, denkers of burgers die kritische vragen stellen bij de dominante narratieven – worden niet alleen inhoudelijk bestreden, maar ook sociaal en maatschappelijk gemarginaliseerd. Zij krijgen labels opgeplakt als wetenschapsontkenner, anti-vaxxer of complotdenker, waardoor hun positie bij voorbaat al wordt verzwakt. De discussie verschuift daarmee van argumentatie naar reputatie. Dit mechanisme werkt ontmoedigend en disciplinerend: wie ziet wat er gebeurt met critici, zal minder snel zelf nog zijn nek uitsteken. Het gevolg is een vorm van zelfcensuur en conformisme, precies het tegenovergestelde van wat wetenschap nodig heeft om gezond te blijven. Ironisch genoeg leidt juist deze drang naar zekerheid – kenmerkend voor scientisme – tot een verarming van het wetenschappelijk proces. Wanneer bepaalde vragen niet meer gesteld mogen worden, en bepaalde conclusies worden gezien als onaantastbaar, raakt wetenschap los van haar eigen fundament en wordt daarmee een georganiseerd machtsmiddel. In plaats van een open systeem dat zichzelf voortdurend corrigeert, ontstaat een gesloten kring waarin bevestiging belangrijker wordt dan het zoeken naar waarheid. En juist daar, in die verschuiving van kritische zoektocht naar beschermde consensus, voltrekt zich de corrumpering van de wetenschap.

– einde artikel –

Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand

Volg ons op social media

Kijk en beluister Gezond Verstand via

X


Dit artikel is alleen voor abonnees
Login als abonnee of abonneer je om onbeperkt alle artikelen te lezen.
Word nu abonnee van Gezond Verstand Magazine

Kies uit een jaar– of kwartaalabonnement en ontvang de meest kritische en onafhankelijke kijk op actuele onderwerpen.
Wil je liever digitaal lezen? Voor slechts €60 per jaar heb je al een digitaal abonnement.
Je krijgt na je bestelling direct toegang tot alle uitgaven op de website.

Gerelateerde berichten

Loading...
Privacybeleid
Wanneer u onze website bezoekt, dan kan deze informatie via je browser opslaan voor specifieke services, meestal in de vorm van cookies. Hieronder kunt je je privacyvoorkeuren wijzigen. Houd er rekening mee dat het blokkeren van cookies van invloed kan zijn op je ervaring op onze website en de diensten die we aanbieden.