Pieter de Vries
Energie vormt de voornaamste basis van onze economie en de energieprijs wordt in bijna alle goederen en diensten doorberekend. Laten we een basisbegrip vaststellen over wat deze prijs zou moeten zijn. Sinds het begin van de industriële revolutie was steenkool onze belangrijkste energiebron. We kunnen onze analyse dus beginnen bij kolencentrales, die gemiddeld 33–40% efficiënt zijn. Dat betekent dat uit één ton steenkool ongeveer 2.000 tot 3.000 kWh elektriciteit kan worden geproduceerd. De kolenprijs ligt rond de € 140 per ton. Met een rendement van ongeveer 30%, plus de kosten voor centrales en infrastructuur, komen we dan uit op een elektriciteitsprijs van ongeveer 4 eurocent per kWh. Zelfs wanneer we dit bedrag verdubbelen, om rekening te houden met onderhoud, transport en netwerkbeheer, blijft dit nog altijd aanzienlijk lager dan de huidige prijs van ongeveer 30 eurocent per kWh – exclusief btw.
Alleen al op basis hiervan wordt duidelijk dat de transitie van kolen en olie naar zon en wind duur is. Zonnepanelen hebben als voordeel dat er weinig transport van elektriciteit bij nodig is. Windenergie lijkt op het eerste gezicht ongeveer net zo duur als kolenenergie, maar vaak wordt de afschrijving niet volledig meegenomen. Windmolens gaan ongeveer 25 jaar mee. Grootschalige windenergie bestaat bovendien nog maar relatief kort. De grootschalige recycling van deze installaties staat dus ook nog in de kinderschoenen. Wat de werkelijke kosten op de lange termijn zijn, weten we gewoon nog niet. Van de biologische schade voor de vogelstand en zoogdieren bij molens in zee, evenals de grootschalige schade aan en vernietiging van veel Nederlandse landschappen, zijn we al wel goed op de hoogte.
Het grote probleem van zonne- en windenergie zit hem bovendien niet per se in de directe kosten, maar in de constante levering. Er zijn nu eenmaal dagen dat het niet waait, en ’s nachts (en vaak ook overdags) schijnt de zon niet. Dat zijn geen uitzonderingen, maar structurele eigenschappen van deze technologie. Opslag van energie op grote industriële schaal kan in principe via stuwmeren, waarbij water bij een overschot omhoog wordt gepompt en later weer wordt gebruikt om elektriciteit op te wekken. Maar voor een vlak land als Nederland is dat niet mogelijk. Grootschalige opslag van elektriciteit is hier dus in de praktijk tot op heden niet realiseerbaar.
Op momenten dat er geen zon of wind is, gaan we natuurlijk niet in de kou en in het donker zitten. Er moeten dus vooralsnog andere energievormen beschikbaar blijven. Zon en wind vormen dus geen vervanging van het bestaande energiesysteem, maar zijn een parallel energiesysteem.
De kosten verdwijnen dus niet, maar worden opgeteld. Sterker nog: dit is geen eenvoudige optelsom, want de complexiteit van het elektriciteitsnet neemt niet lineair maar exponentieel toe. Schakelaars, transformatoren en kabels moeten overal vele malen uitgebreider en talrijker worden.
Alleen al netbeheerder TenneT (netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet in Nederland) verwacht tot aan 2034 ongeveer € 160 miljard te moeten investeren in de uitbreiding van hoogspanningsnetten in Nederland en Duitsland. Daarnaast verwachten de regionale netbeheerders gezamenlijk nog eens meer dan € 100 miljard aan investeringen tot 2040 voor uitbreiding van de lokale distributienetten. In totaal gaat het dus om een infrastructuurprogramma van € 200 tot € 300 miljard, voor een land met 18 miljoen inwoners en een industrie die de komende jaren neerkomt op ongeveer € 20.000 per belastingbetaler.
Daarmee ontstaat rond de energietransitie een nieuwe economische sector van enorme omvang. Netbeheerders, adviesbureaus, projectontwikkelaars, kabelproducenten, transformatorbouwers en subsidieprogramma’s groeien mee met iedere uitbreiding van het systeem. Wat ooit begon als milieubeleid, ontwikkelt zich op die manier nu tot een enorm infrastructuurcomplex, met eigen belangen en een eigen dynamiek.
De energietransitie wordt noodzakelijk geacht vanwege de wijdverspreide leugen dat uitstoot van het voor planten en bomen noodzakelijke CO₂ klimaatverandering veroorzaakt. Wanneer we toch om andere milieuredenen – zoals bijvoorbeeld fijnstof – van de klassieke energiebronnen willen overschakelen naar andere vormen van energieopwekking, is er altijd nog kernenergie. In Frankrijk zien we al langere tijd dat hiermee stabiele en betrouwbare elektriciteit kan worden geproduceerd. Toch speelt kernenergie in het Nederlandse beleid slechts een zeer bescheiden rol. Vaak wordt beweerd dat kernenergie gevaarlijk is. Maar thoriumreactoren bestaan al sinds de jaren vijftig, zie bijvoorbeeld het Molten-Salt Reactor Experiment in Oak Ridge, Tennessee. Bij dit type reactor wordt weinig langdurig radioactief afval geproduceerd. Daarnaast bestaan er technieken als vitrificatie, waarbij radioactief afval in massief glas wordt ingesloten en veilig kan worden opgeslagen.
Ook wordt vaak gezegd dat kernenergie te duur en te complex is, omdat kerncentrales megaprojecten zouden zijn. Daarbij wordt meestal verwezen naar projecten als Hinkley Point C, in Bridgewater, Engeland. De bouw hiervan begon in 2017, maar is nu vertraagd tot tenminste 2029. Kleinere reactoren worden echter al decennialang gebruikt, bijvoorbeeld in kernonderzeeërs en vliegdekschepen. Het is dus technisch mogelijk om kleinere reactoren te bouwen, of zelfs seriematig te produceren. In principe kunnen dergelijke reactoren zelfs kant-en-klaar worden afgeleverd door gespecialiseerde fabrikanten. Er lijken dus geen wezenlijke technische bezwaren te bestaan tegen kernenergie als stabiele energiebron.
We zien ook dat rond de energietransitie een omvangrijke nieuwe infrastructuursector ontstaat. Netbeheer is inmiddels uitgegroeid tot een van de snelst groeiende infrastructuursectoren van Nederland. Beheerders breiden hun activiteiten sterk uit. Adviesbureaus, projectontwikkelaars en subsidieprogramma’s groeien mee. Waar ooit sprake was van een milieubeweging, lijkt inmiddels een complex netwerk te ontstaan van overheid, industrie en infrastructuurorganisaties dat direct belang heeft bij verdere uitbreiding van het elektriciteitsnet.
Een eventuele politieke beslissing om op basis van gezond verstand onmiddellijk op te houden met windturbines, zonnepaneelvelden en het rijden in elektrische auto’s, stuit dus op een gigantische economische barrière van financieel eigenbelang. De dynamiek van de industriële infrastructuur in meerdere sectoren van parallelle energieopwekking brengt miljarden op voor de talloze partijen die erbij betrokken zijn.
Op de jaarlijkse bijeenkomsten van COP (Conference of the Parties) houden politici bij hoe ver zij zijn gevorderd met het bereiken van hun heilige doel: het voorkomen van een planetaire opwarming van niet meer dan 1,5 graden Celsius.
In werkelijkheid, zoals in 2022 bij de COP 27 van Sharm-el-Sheikh, Egypte, in 2023 bij de COP28 in Dubai en in 2024 bij de COP29 in Baku overduidelijk bleek, gaat het vooral om de verdeling van miljarden aan overheidssubsidies en een intensieve handel in emissierechten, samen met uitgebreid gesjacher van handel in onder de banvloek verkerende fossiele brandstoffen, gepaard gaande met overduidelijke uitingen van ongeloof afkomstig van de hoogstgeplaatste COP-gastheren. De meest recente COP30, in Belém, Brazilië, van november vorig jaar, met 56.000 gesubsidieerde afgevaardigden – inclusief veel oliehandelaren – staat nu bekend als de vergadering die tot nu toe de grootste verdeeldheid liet zien. De bewijzen waren ook bij die gelegenheid weer overduidelijk dat de voornaamste deelnemers al lang niet meer geloven in het probleem waarover ze vergaderen, maar dat het alleen nog gaat om partijen die louter gemotiveerd zijn door hun eigen financiële belangen.
Wat vertel ik mijn medemens?
- Het grote probleem van zonne- en windenergie zit hem in de constante levering.
- Zon en wind vormen geen vervanging van het bestaande energiesysteem, maar zijn een parallel energiesysteem. De kosten verdwijnen dus niet, maar worden opgeteld.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via