Diana Saaman
De Nederlandse veehouderij opereert op een schaal die de binnenlandse consumptie ruimschoots overstijgt. Ongeveer driekwart van de zuivel-, eieren- en vleesproductie wordt verwerkt voor buitenlandse markten. Het systeem is dus hoofdzakelijk export-gedreven. Omdat die productie ver boven de nationale behoefte uitkomt, kan voedselzekerheid moeilijk het doorslaggevende argument zijn tegen reductie van de veestapel. De vraag welke hoeveelheid productie daadwerkelijk noodzakelijk is voor binnenlandse voorziening wordt zelden gesteld, laat staan beantwoord.
‘Voedselzekerheid’ wordt in internationale definities doorgaans omschreven als de zekerheid dat een bevolking toegang heeft tot voldoende, veilig en betaalbaar voedsel. Het gaat dus over beschikbaarheid en toegankelijkheid, niet over het volledig zelf produceren van alle voedsel binnen de eigen grenzen. Nederland importeert bovendien grote hoeveelheden veevoer en grondstoffen, zoals soja, en is in het huidige systeem al afhankelijk van internationale handelsstromen. Onze voedselvoorziening is geen gesloten nationaal systeem, maar een onderdeel van wederzijdse afhankelijkheden binnen Europa en daarbuiten. Het reduceren van de veestapel betekent niet dat de binnenlandse voedselzekerheid in gevaar komt. In een land dat jaarlijks miljarden kilo’s melk, vlees en eieren produceert, is een discussie over voedselzekerheid oneerlijk.
Oneerlijkheid typeert ook de discussie aan de kant van de overheid. Het verdwijnen van boerenbedrijven roept vanzelfsprekende vragen op over leefbaarheid, landschap en sociale samenhang. Het zijn terechte onderwerpen, die debat en inspraak verlangen. Maar overheidsfunctionarissen praten niet over de bredere achtergrond van hun wens om het aantal Nederlandse veeteeltbedrijven te reduceren. Die achtergrond heeft te maken met de supranationale herinrichting van de wereld, waarbij onder meer het midden- en kleinbedrijf plaats moet maken voor de agribusiness-giganten.
Het verlangen van de overheid, gedicteerd door die supranationale voorschriften, botst op een productiemodel van een sector die groei als strategie heeft omarmd, en daar politieke ruimte voor wist te organiseren. Schaalvergroting is geen natuurverschijnsel maar het resultaat van economische keuzes binnen een beleidskader. Veebedrijven investeerden in grotere stallen en hogere productie per dier. Banken financierden deze expansie, in de verwachting van beleidscontinuïteit. Europese subsidies ondersteunden inkomensstabiliteit en droegen bij aan verdere schaalvergroting. Rondom de veesector ontstond bovendien een bredere economische keten van voederleveranciers, verwerkende industrie, exporteurs en adviseurs, allen afhankelijk van het huidige productiemodel. Zo ontstond een situatie waarbij investeringen, schulden en infrastructuur reductie steeds moeilijker maken. Heroriëntatie raakt daarmee niet alleen individuele boeren, maar een bredere economische structuur.
Sinds de jaren negentig worstelt de overheid met de omvang van de veestapel en het structurele mestoverschot. Mestbeleid, productierechten en aangescherpte normen waren pogingen om productie binnen grenzen te houden. Rapporten wezen herhaaldelijk op de gevolgen voor bodem, water en natuur. Toch bleef fundamentele begrenzing uit. Beleidswijzigingen waren meestal technisch van aard. Het productiemodel zelf, gericht op schaalvergroting en efficiëntie, bleef intact.
In 2019 leek het dat de overheid uiteindelijk het middel had gevonden om het mes in de veehouderij te kunnen zetten, toen de Raad van State zich uitsprak over de juridische onhoudbaarheid van het Programma Aanpak Stikstof. De overheid kon deze uitspraak vervormen en er een stikstofcrisis van maken. Dit betekende dat het ging schermen met soortgelijke onzin als bijvoorbeeld dat van de schadelijkheid van menselijke uitstoot van CO₂. Alleen Nederland heeft zo’n crisis, wat de onlogische gevolgtrekking zou inhouden dat de landsgrenzen van België en Duitsland de verspreiding ervan kunnen tegenhouden. Nog belangrijker voor de definitie van het begrip ‘crisis’, is dat het gebaseerd is op waardeloze computermodellen, die geen ruimte toestaan om van een non-crisis te kunnen spreken.
Sinds de uitgeroepen stikstofcrisis hebben boeren en overheid zich nog dieper ingegraven. Boeren ervaren het beleid als een directe bedreiging van hun investeringen, schuldenposities en toekomstperspectief. De overheid beroept zich op ‘juridische noodzaak’ en ‘internationale verplichtingen’, en wordt in hoge mate aangestuurd door ideologische vooringenomenheid, waarbij elk verband met de werkelijkheid ontbreekt. Praten en onderhandelen lopen volkomen gescheiden langs elkaar heen.
Wat in deze dynamiek zichtbaar wordt, is een loopgravenoorlog, waarbij beide zijden elkaar bekogelen met onzinnige argumenten: de boeren die het hebben over het gevaar van voedselzekerheid, en de overheid die op het grote stikstofgevaar wijst. Een belangrijke bijkomstigheid is, dat de boeren niet effectief binnen het politieke bestel vertegenwoordigd zijn. De LTO (Land- en Tuinbouworganisatie Nederland) neemt het stikstofverhaal serieus, waardoor haar leden de onzin ervan niet aan de kaak stellen. De BBB, die in het aanzicht van de agribusiness-dreiging werd verondersteld het boerenbelang te vertegenwoordigen en twee jaar geleden per stembus de grootste partij werd, is thans op sterven na dood.
Het gesprek verschuift zodra het concreet dreigt te worden. Argumenten worden ingezet om terrein te behouden, niet om gezamenlijk een richting te bepalen. Zolang het debat zich langs die linies beweegt, blijft de onderliggende keuze van welke plaats de Nederlandse veehouderij nog kan krijgen in de ruimtelijke ordening en welke argumenten daarbij doorslaggevend zouden moeten zijn onbesproken. Zonder zo’n eindbeeld blijven maatregelen fragmentarisch. Opkoopregelingen, innovatiesubsidies en gebiedsgerichte plannen volgen elkaar op, maar bewegen zich niet zichtbaar richting een helder doel.
De burger staat daar niet los van, want is niet alleen consument, maar ook belastingbetaler en medegebruiker van ruimte. Via Europese en nationale middelen financiert de samenleving een aanzienlijk deel van het landbouwsysteem. Tegelijkertijd beïnvloeden ruimtelijke keuzes de kwaliteit van landschap, natuur en leefomgeving. Ook dierenwelzijn maakt deel uit van die afweging. Nederland herbergt miljoenen bio-industriedieren, grotendeels gehouden in grootschalige stalsystemen. Dat is de uitkomst van een model dat vooral inzet op efficiëntie en volume, maar vragen oproept over maatschappelijke en morele aanvaardbaarheid. Zolang deze zaken niet in samenhang worden besproken, blijven ze ondergesneeuwd in de loopgravenstrategie.
Loopgravenoorlogen eindigen niet doordat partijen elkaar overtuigen. Zij eindigen wanneer uitputting optreedt, wanneer een externe schok het evenwicht verstoort, of wanneer een partij besluit de loopgraaf te verlaten en een strategische doorbraak te forceren. Zolang geen van die drie dingen zich voordoet, blijft het conflict bestaan. Ook in het landbouwdossier zal beweging niet ontstaan door meer argumenten, of verfijndere maatregelen. Een debat over herinrichting waarbij infrastructuur, recreatie en woningbouw aan bod komen, is eveneens ver te zoeken.
Het gefragmenteerde bestuur in Nederland, en de ideologische drijfveren ervan, blokkeren zo’n noodzakelijk debat over nationale prioriteiten. Ministeries opereren binnen hun eigen domein, provincies hebben gebiedsverantwoordelijkheid en kabinetten denken in korte termijnen, zonder zich aan de werkelijkheid te storen. Een fundamentele herijking met betrekking tot nationale prioriteiten overstijgt die kaders. Een noodzakelijk breed en onafhankelijk debat over de schaal van veehouderij, ruimteverdeling en publiek belang van het platteland, komt niet tot stand. Zolang er geen expliciete keuzes worden gemaakt wat betreft omvang en vorm van de landbouw en veehouderij, blijven de overheid en de agrarische sector tegenover elkaar staan en ergens daartussenin bewegen zich de verzetsgroepen.
Het mag duidelijk zijn dat de argumenten waarmee boerenbedrijven en overheid elkaar bekogelen in hun loopgravenoorlog, met voedselzekerheid aan de ene kant en een niet bestaand stikstofprobleem aan de andere kant, op geen enkele manier tot een doorbraak zullen kunnen leiden.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via