Jos Thommassen
Deze overschatting werd ooit ingezet tijdens enkele opzienbarende schaakmatches tussen wereldkampioen Garry Kasparov en de schaakcomputer Deep Blue, in 1997. In de eerste partij van de match speelde Deep Blue een schijnbaar ‘onmenselijke’ zet (Loper naar H4) die Kasparov totaal verraste en zijn uiteindelijke nederlaag inleidde. Deze schijnbaar creatieve zet leek een afwijking op pure programmering en werd geïnterpreteerd als een vorm van computer-creativiteit. Later bleek dat de zet mogelijk het gevolg was van een bug in het algoritme.
Een soortgelijke gebeurtenis deed zich enige jaren later voor tijdens een partij Go die Lee Sedol in 2016 speelde tegen de computer AlphaGo. In de tweede partij poneerde de computer de beroemde winnende zet 37, die door menselijke spelers als ‘onorthodox’ of zelfs ‘slecht’ werd beschouwd, maar later briljant bleek. Ook deze verrassende en statistisch onwaarschijnlijke zet wakkerde onder grootmeesters de discussie aan over machine-creativiteit. Go is het oudste bordspel ter wereld met meer mogelijke zetten dan het aantal atomen in het heelal. Pure rekenkracht lijkt zinloos en intuïtie en creativiteit zijn cruciaal.
Dergelijke tastbare resultaten, zoals overwinningen bij bordspelen en een progressief groeiende, onvoorstelbare rekensnelheid, openden denkbeeldige perspectieven van een rechtlijnig parcours naar superintelligentie en optimale creativiteit.
Singulariteit verwijst naar het hypothetische moment waarop AI zichzelf zó ver zal hebben ontwikkeld dat het de menselijke intelligentie overstijgt en oncontroleerbaar of onvoorspelbaar wordt. AI zou dan, door zichzelf te herschrijven, exponentieel kunnen groeien, of zelfs een vorm van zelfbewustzijn kunnen ontwikkelen, waarbij het de vraag is of het in staat zal zijn over de motivatie te beschikken om zichzelf te willen verbeteren.
De in gang gezette hoge verwachtingen zijn vooral het resultaat van het ontzag voor de bovenmenselijke eindresultaten van het snelle en eindeloze rekenwerk.
Een machine wordt dan ‘intelligent’ genoemd, omdat het taken uitvoert die wij associëren met menselijke intelligentie, zoals taalgebruik of het oplossen van problemen, waarbij ten onrechte wordt aangenomen dat het woord ‘intelligentie’ in beide gevallen hetzelfde betekent, terwijl de context totaal verschillend is. Oppervlakkige fixatie op eindproducten leidt af van het proces dat eraan voorafgaat. Het is echter dit proces dat we moeten zien te beoordelen op intelligentie, en niet een uiteindelijk product.
Ethiek en esthetiek zijn de computer vreemd en schaken gaat niet alleen over de vraag wie er uiteindelijk wint maar ook over de schoonheid van het spelverloop. De zielloze schijnintelligentie van AI is echter niet alleen voorbehouden aan computers, maar ook mensen zijn hier erg bedreven in.
Dit wordt door W.F. Hermans op satirische wijze beschreven in zijn boek Onder professoren (1975). Het boek toont aan hoe vermeende intellectuele kennis kan ontaarden in domheid. Hermans beschrijft een universiteit waarin professoren zich verliezen in machtsspelletjes, ijdelheid en zelfbedrog en vooral bezig zijn met hun eigen status en reputatie, zonder wezenlijke bijdragen aan kennis of begrip, vergelijkbaar met de wijze waarop AI op indrukwekkende wijze teksten genereert zonder werkelijk inzicht! Het gezwets van de professoren draait vooral om retoriek en semantiek, niet om daadwerkelijke wijsheid.
De waarneming van prof.dr. Rufus Dingelam, de hoofdpersoon, komt erop neer dat professoren die lezingen hielden niet wisten waarover ze spraken, professoren die artikelen schreven niet wisten wat ze schreven en professoren die onder elkaar discussieerden niet wisten waarom/waarover ze discussieerden. Een illusie van coherentie en vloeiend taalgebruik simuleert hier intelligentie; de gelijkenis met AI is frappant.
Ludwig Wittgenstein, een invloedrijke filosoof uit de twintigste eeuw, legt uit dat de betekenis van een woord wordt bepaald door de manier waarop het wordt gebruikt in verschillende sociale contexten en praktijken. Hij gebruikte het idee van ‘taalspel’ om dit te verklaren. Wanneer we helder naar de taalspelen kijken waarin een woord als ‘intelligentie’ wordt gebruikt, wordt duidelijk dat AI een geavanceerd patroonherkenningssysteem is, zonder de intelligentie die de mens eigen is.
Een robot die kan meten dat een accu bijna leeg geraakt is, zal in reactie hierop een signaal afgeven, zonder angst of emotie. Het alarmerende gepiep van de robot is een functionele reactie, geen teken van ervaren paniek. We projecteren menselijke emoties op machines, omdat hun gedrag uiterlijke overeenkomsten vertoont met onze eigen reacties, maar zonder subjectieve beleving kan er geen sprake zijn van gevoel.
Indien bewustzijn niets meer is dan een emergent fenomeen – een product van complexe informatieverwerking – dan zou een extreem geavanceerde vorm van AI ooit misschien een mate van subjectieve ervaring kunnen ontwikkelen. Vooralsnog mist AI naast zelfbewustzijn en een vrije wil ook betekenis en zingeving, en volgt het slechts algoritmes en patronen, zonder intrinsieke motivatie.
AI-muziekprogramma’s kunnen muziek genereren die klinkt alsof het werd gecomponeerd door Mozart, met gelijkvormige harmonieën, structuren en zelfs bepaalde stijlkenmerken die door mensen als vernieuwend zouden kunnen worden ervaren, maar het blijft een zielloze aangelegenheid en de goede luisteraar herkent zonder aarzeling direct het verschil met de echte Mozart.
Johann Georg Hamann, een Duitse filosoof, schreef in de achttiende eeuw het boek The Art of Creation, over het begrijpen van zowel creativiteit als religie vanuit een diep filosofisch perspectief. Hij exploreert hoe de mens in staat is om te creëren, en hoe creatie niet alleen een product is van menselijke rede, maar een mysterie dat verweven is met goddelijkheid, waarbij intuïtie en mystieke ervaring het creatieve proces bepalen. Volgens Hamann is creativiteit altijd persoonlijk en diep verweven met de innerlijke wereld van degene die creëert.
In het boek De Creatieve Mens onderzoekt Anthony Storr (1920–2001) de psychologische drijfveren achter creativiteit. Storr biedt in zijn werk inzichten in de wijze waarop creativiteit niet alleen het domein is van uitzonderlijke genieën, maar een universeel aspect van de menselijke ervaring. Storrs visie legt de nadruk op de innerlijke, emotionele complexiteit die voor veel mensen creatief werk aandrijft. Dit brengt een groot verschil naar voren tussen menselijke creativiteit en de manier waarop AI werkt. AI kan bijvoorbeeld creatief lijken in de zin van het genereren van nieuwe ideeën, maar het heeft geen innerlijke emotionele wereld als bron. Storr maakt duidelijk dat creativiteit niet enkel voortkomt uit externe stimulansen zoals data of snelheid, maar uit een dieper, persoonlijk proces.
Creativiteit vormt naast probleemoplossend vermogen en aanpassingsvermogen de basis van intelligentie. Het is onvoorstelbaar dat AI ooit de diepte van menselijke creativiteit zal kunnen begrijpen, die meestal voortkomt uit lijden, liefde en persoonlijke worstelingen.
Arthur Koestler schreef in 1964 het boek the Act of Creation waarin hij onderzocht hoe creatieve ideeën ontstaan, zowel in de kunsten als in wetenschappelijke ontdekkingen en humor.
Hij stelt dat creatie ontstaat door het combineren van twee, op het eerste gezicht onverenigbare ideeën of denkmodellen. Dit noemt hij bisociatie, het idee dat creativiteit voortkomt uit het vermogen om verschillende concepten uit verschillende domeinen samen te brengen. Dit proces is anders dan logische deductie (waar je vanuit bestaande feiten tot nieuwe conclusies komt) of inductie (waar je patronen afleidt – dus vanuit specifieke waarnemingen tot algemene conclusies komt).
Hij legt uit hoe veel grote creatieve doorbraken, zowel in kunst als in wetenschap, vaak plaatsvinden via plotselinge inzichten of ‘aha-momenten’, wanneer twee verschillende ideeën zich, onbewust, ineens samenvoegen tot een nieuwe, onverwachte combinatie.
Het fenomeen dat we intuïtie noemen, dekt voor een groot deel de lading van zijn betoog. De programmeurs van AI zijn zich er terdege van bewust dat het voor de verdere ontwikkeling van AI noodzakelijk is deze intuïtie zo goed als mogelijk te simuleren.
AlphaGo was in staat om door middel van strategische inzet van dataverwerking en patroonherkenning een soort van intuïtieve zetten te genereren, waarbij het binnen de beperkte setting van een bordspel uiteindelijk de overhand kon krijgen. Dergelijke handelingen missen echter de bredere context waarin mensen intuïtie gebruiken, zoals ethiek, cultuur of filosofie, of het simultaan gebruik van alle menselijke zintuigen.
Een elite slechts gemotiveerd door winst- en machtsvergroting zal het onderscheid in de vorm van intelligentie tussen een computer en een mens nauwelijks of niet willen zien. Vooral de beloftes op het gebied van directe interactie tussen brein en computer bieden krankzinnige illusies in de richting van het creëren van een soort eeuwig leven, of het digitaliseren van het bewustzijn. Bedrijven als Neuralink en andere initiatieven in Silicon Valley weerspiegelen deze utopische ambities. Transhumanisme zou de overwinning op de dood moeten worden.
Zodra AI wordt gepresenteerd als een neutrale of superieure vorm van intelligentie is het denkbaar dat diezelfde elite die het eeuwige leven wenst, zich achter een schijn van objectiviteit kan verschuilen bij het uitvoeren van ingrijpend beleid. Kritiek kan dan worden afgedaan als antiwetenschappelijk of onredelijk. Op deze wijze ontstaat een subtiele, maar gevaarlijke vorm van macht: geen brute dictatuur, maar een systeem waarin mensen vrijwillig hun autonomie opgeven omdat ze diep zijn gaan geloven in AI als een objectieve, alwetende autoriteit.
– einde artikel –
Je las een Premium artikel uit Gezond Verstand
Volg ons op social media
Kijk en beluister Gezond Verstand via